TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - BEWIJS - RECHT OP TEGENSPRAAK - ONPARTIJDIGHEID
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken. De aanleiding voor de tuchtrechtelijke veroordeling blijkt de vondst van een gsm, oplaadkabel en oortjes te zijn in de cel van klager. Klager heeft tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting betwist dat de gevonden gsm van hem was. Hij wist niet dat er een gsm in zijn cel lag. De directie antwoordde hierop door te stellen dat klager toch alleen op cel zit. Bovendien zou uit zijn tuchtgeschiedenis blijken dat hij al vaker in het bezit is geweest van een gsm. Klager kent de regels goed genoeg. De advocaat van klager heeft de essentie van zijn schriftelijke besluiten uiteengezet.
De klachtencommissie meent dat het RAD geen ruimte voor interpretatie laat. Bovendien blijkt uit het tuchtdossier dat klager alleen in de cel verbleef. Klager betwist dat de gsm die werd gevonden van hem was maar hij heeft geen aannemelijke uitleg gegeven van wie de gsm dan wel was. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in redelijkheid en billijkheid het bezit van de gsm kon toerekenen aan klager.
De directie kan enkel rekening houden met het tuchtrechtelijk verleden op vlak van de straftoemeting. De klachtencommissie stelt vast dat klager in het verleden reeds vier keer werd gesanctioneerd wegens het bezit van een gsm. De klachtencommissie meent dat klager zelf nog wel weet voor wat hij in het verleden tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd. Dat hij dus in het kader van de nieuwe tuchtprocedure geen kopie van zijn tuchtregister zou hebben ontvangen, heeft volgens de klachtencommissie niet als gevolg dat de tuchtbeslissing onrechtmatig is.
Klager meent dat één en dezelfde gevangenisdirecteur niet kan beslissen tot het opstarten van een tuchtprocedure en vervolgens het zetelen in de tuchtprocedure waartoe besloten werd. Het gegeven dat een gevangenisdirecteur niet beslist om over te gaan tot toepassing van art. 122 Basiswet maar wel tot deze tuchtprocedure, creëert minstens de schijn van partijdigheid, i.e. het beslissen om een tuchtsanctie te gaan opleggen. Mevrouw […] nam kennis van het RAD en besloot om een tuchtprocedure op te starten. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat dhr. […] de hoorzitting heeft gehouden en vervolgens ook de tuchtbeslissing heeft genomen. Het argument klopt dus niet.
Tot slot werpt de raadsman van klager op dat geen beslissing werd gevoegd van de opdracht tot onderzoek aan de verblijfsruimte waardoor het aan klager en zijn raadsman niet mogelijk wordt gemaakt om na te gaan of de regels in art. 109 Basiswet werden nageleefd waardoor er volgens hen sprake is van een schending van het recht van verdediging. De Raad van State heeft reeds geoordeeld dat de Basiswet geen verplichting oplegt om aan de gedetineerde een individueel mandaat voorafgaand aan de celcontrole mede te delen waarbij de redenen voor de celcontrole worden vermeld, zoals dat wel het geval is bij een huiszoekingsbevel afgeleverd door de onderzoeksrechter. Hieruit volgt dat de verblijfsruimte van gedetineerden geregeld kunnen worden onderzocht, wat dus haaks staat op het idee dat een celcontrole enkel kan gebeuren indien hiervoor specifieke aanwijzingen bestaan. Een schriftelijke beslissing tot het opleggen van een celcontrole is bijgevolg niet wettelijk verplicht zodat bij gebreke aan een schriftelijke beslissing de rechten van verdediging van klager niet zijn geschonden.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de vier tuchtrechtelijke voorgaanden voor dezelfde tuchtinbreuk.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken. De aanleiding voor de tuchtrechtelijke veroordeling blijkt de vondst van een gsm, oplaadkabel en oortjes te zijn in de cel van klager. Klager heeft tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting betwist dat de gevonden gsm van hem was. Hij wist niet dat er een gsm in zijn cel lag. De directie antwoordde hierop door te stellen dat klager toch alleen op cel zit. Bovendien zou uit zijn tuchtgeschiedenis blijken dat hij al vaker in het bezit is geweest van een gsm. Klager kent de regels goed genoeg. De advocaat van klager heeft de essentie van zijn schriftelijke besluiten uiteengezet.
De klachtencommissie meent dat het RAD geen ruimte voor interpretatie laat. Bovendien blijkt uit het tuchtdossier dat klager alleen in de cel verbleef. Klager betwist dat de gsm die werd gevonden van hem was maar hij heeft geen aannemelijke uitleg gegeven van wie de gsm dan wel was. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in redelijkheid en billijkheid het bezit van de gsm kon toerekenen aan klager.
De directie kan enkel rekening houden met het tuchtrechtelijk verleden op vlak van de straftoemeting. De klachtencommissie stelt vast dat klager in het verleden reeds vier keer werd gesanctioneerd wegens het bezit van een gsm. De klachtencommissie meent dat klager zelf nog wel weet voor wat hij in het verleden tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd. Dat hij dus in het kader van de nieuwe tuchtprocedure geen kopie van zijn tuchtregister zou hebben ontvangen, heeft volgens de klachtencommissie niet als gevolg dat de tuchtbeslissing onrechtmatig is.
Klager meent dat één en dezelfde gevangenisdirecteur niet kan beslissen tot het opstarten van een tuchtprocedure en vervolgens het zetelen in de tuchtprocedure waartoe besloten werd. Het gegeven dat een gevangenisdirecteur niet beslist om over te gaan tot toepassing van art. 122 Basiswet maar wel tot deze tuchtprocedure, creëert minstens de schijn van partijdigheid, i.e. het beslissen om een tuchtsanctie te gaan opleggen. Mevrouw […] nam kennis van het RAD en besloot om een tuchtprocedure op te starten. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat dhr. […] de hoorzitting heeft gehouden en vervolgens ook de tuchtbeslissing heeft genomen. Het argument klopt dus niet.
Tot slot werpt de raadsman van klager op dat geen beslissing werd gevoegd van de opdracht tot onderzoek aan de verblijfsruimte waardoor het aan klager en zijn raadsman niet mogelijk wordt gemaakt om na te gaan of de regels in art. 109 Basiswet werden nageleefd waardoor er volgens hen sprake is van een schending van het recht van verdediging. De Raad van State heeft reeds geoordeeld dat de Basiswet geen verplichting oplegt om aan de gedetineerde een individueel mandaat voorafgaand aan de celcontrole mede te delen waarbij de redenen voor de celcontrole worden vermeld, zoals dat wel het geval is bij een huiszoekingsbevel afgeleverd door de onderzoeksrechter. Hieruit volgt dat de verblijfsruimte van gedetineerden geregeld kunnen worden onderzocht, wat dus haaks staat op het idee dat een celcontrole enkel kan gebeuren indien hiervoor specifieke aanwijzingen bestaan. Een schriftelijke beslissing tot het opleggen van een celcontrole is bijgevolg niet wettelijk verplicht zodat bij gebreke aan een schriftelijke beslissing de rechten van verdediging van klager niet zijn geschonden.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de vier tuchtrechtelijke voorgaanden voor dezelfde tuchtinbreuk.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.