KC10/25-0184
Non fondée
Fondée
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLERING - TUCHT - BEWIJS
De eerste klacht gaat over een fouillering op het lichaam. Vooreerst stelt de klachtencommissie vast dat nergens uit de individuele beslissing tot fouillering op het lichaam blijkt op welk uur deze fouillering heeft plaatsgevonden. Punt 2 van deze beslissing, namelijk ‘tijdstip van de fouillering op het lichaam’ werd niet ingevuld. Daarnaast stelt de klachtencommissie vast dat ook punt 3, namelijk ‘betekening van de beslissing tot fouillering op het lichaam’ niet werd ingevuld. Uit de klacht van klager blijkt bovendien dat de beslissing pas aan klager werd bezorgd op vraag van zijn advocaat tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat hierdoor artikel 108, § 2, eerste lid Basiswet is geschonden. De beslissing tot fouillering op het lichaam van klager werd niet correct betekend aan klager.
De klachtencommissie is ook van mening dat deze motivering onvoldoende is voor een ingrijpende maatregel als de fouillering op het lichaam. Er is immers niet voldaan aan de vereiste dat de naaktfouillering als ultimum remedium dient te worden ingezet. Hoewel de directie in haar motivering bij de naaktfouillering stelt dat “het risico bestaat dat deze voorwerpen verborgen worden op het lichaam, op plaatsen die tijdens een onderzoek aan de kledij niet gecontroleerd kunnen worden”, is de klachtencommissie van oordeel dat deze motivering niet voldoende is. Gelet op het feit dat het om een vape en smartphone gaat, hadden de celcontrole, de metaaldetectieportiek (MDP) of het onderzoek aan de kledij immers als minder ingrijpende maatregelen hetzelfde doel kunnen bereiken, zeker gelet op de grootte van de verboden voorwerpen die werden opgemerkt tijdens de nachtelijke visuele controle. De klachtencommissie stelt vast dat artikel 108 van de Basiswet geschonden is.
De tweede klacht gaat over een tuchtbeslissing. Hoewel de klachtencommissie benadrukt dat voorafgaand aan de naaktfouillering eerst de celcontrole of een onderzoek aan de kledij had moeten plaatsvinden, is zij van oordeel dat het feit dat de naaktfouillering onwettig was, niet automatisch tot het gevolg heeft dat ook de celcontrole nadien en de tuchtbeslissing zelf onwettig zouden zijn. Een tuchtbeslissing kan immers overeind blijven indien ze niet enkel gebaseerd is op vondsten tijdens een onwettige fouillering op het lichaam – hetgeen in casu zelfs niet het geval is – , maar ook op andere (rechtmatig verkregen) elementen. De klachtencommissie stelt bovendien vast dat de naaktfouillering negatief was en de tuchtbeslissing hier dus niet op gebaseerd werd. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt immers dat klager tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor de vondsten tijdens de celcontrole. Gelet op het feit dat tijdens een nachtelijke visuele controle door een beambte werd vastgesteld dat klager in het bezit was van een smartphone en een rode vape, hetgeen verboden is in de gevangenis, is de klachtencommissie van oordeel dat de celcontrole die om 6u45 de volgende ochtend werd uitgevoerd, niet onwettig was.
De klachtencommissie is van oordeel dat het RAD voldoende duidelijk werd opgesteld en gedetailleerd wordt weergegeven welke verboden voorwerpen op welke plaats in de cel van klager werden teruggevonden. Ook waren drie beambten getuige van de feiten. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager zelf niet gesproken heeft. De klachtencommissie stelt vast dat de advocaat van klager de motivering van de tuchtbeslissing onjuist acht omdat klager de feiten wel zou betwisten, maar op de hoorzitting niets heeft gezegd. De klachtencommissie is van oordeel dat klager en zijn advocaat op de tuchtrechtelijke hoorzitting de kans hebben gekregen om hun inhoudelijk verweer uiteen te zetten, maar ervoor gekozen hebben enkel in te gaan op de onwettigheid van de fouillering op het lichaam en de gevolgen van dien. In die zin acht de klachtencommissie de motivering van de tuchtbeslissing door de directie dan ook niet onjuist, aangezien noch klager noch zijn advocaat enig argument heeft aangehaald met betrekking tot de gevonden voorwerpen zelf. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De eerste klacht gaat over een fouillering op het lichaam. Vooreerst stelt de klachtencommissie vast dat nergens uit de individuele beslissing tot fouillering op het lichaam blijkt op welk uur deze fouillering heeft plaatsgevonden. Punt 2 van deze beslissing, namelijk ‘tijdstip van de fouillering op het lichaam’ werd niet ingevuld. Daarnaast stelt de klachtencommissie vast dat ook punt 3, namelijk ‘betekening van de beslissing tot fouillering op het lichaam’ niet werd ingevuld. Uit de klacht van klager blijkt bovendien dat de beslissing pas aan klager werd bezorgd op vraag van zijn advocaat tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat hierdoor artikel 108, § 2, eerste lid Basiswet is geschonden. De beslissing tot fouillering op het lichaam van klager werd niet correct betekend aan klager.
De klachtencommissie is ook van mening dat deze motivering onvoldoende is voor een ingrijpende maatregel als de fouillering op het lichaam. Er is immers niet voldaan aan de vereiste dat de naaktfouillering als ultimum remedium dient te worden ingezet. Hoewel de directie in haar motivering bij de naaktfouillering stelt dat “het risico bestaat dat deze voorwerpen verborgen worden op het lichaam, op plaatsen die tijdens een onderzoek aan de kledij niet gecontroleerd kunnen worden”, is de klachtencommissie van oordeel dat deze motivering niet voldoende is. Gelet op het feit dat het om een vape en smartphone gaat, hadden de celcontrole, de metaaldetectieportiek (MDP) of het onderzoek aan de kledij immers als minder ingrijpende maatregelen hetzelfde doel kunnen bereiken, zeker gelet op de grootte van de verboden voorwerpen die werden opgemerkt tijdens de nachtelijke visuele controle. De klachtencommissie stelt vast dat artikel 108 van de Basiswet geschonden is.
De tweede klacht gaat over een tuchtbeslissing. Hoewel de klachtencommissie benadrukt dat voorafgaand aan de naaktfouillering eerst de celcontrole of een onderzoek aan de kledij had moeten plaatsvinden, is zij van oordeel dat het feit dat de naaktfouillering onwettig was, niet automatisch tot het gevolg heeft dat ook de celcontrole nadien en de tuchtbeslissing zelf onwettig zouden zijn. Een tuchtbeslissing kan immers overeind blijven indien ze niet enkel gebaseerd is op vondsten tijdens een onwettige fouillering op het lichaam – hetgeen in casu zelfs niet het geval is – , maar ook op andere (rechtmatig verkregen) elementen. De klachtencommissie stelt bovendien vast dat de naaktfouillering negatief was en de tuchtbeslissing hier dus niet op gebaseerd werd. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt immers dat klager tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor de vondsten tijdens de celcontrole. Gelet op het feit dat tijdens een nachtelijke visuele controle door een beambte werd vastgesteld dat klager in het bezit was van een smartphone en een rode vape, hetgeen verboden is in de gevangenis, is de klachtencommissie van oordeel dat de celcontrole die om 6u45 de volgende ochtend werd uitgevoerd, niet onwettig was.
De klachtencommissie is van oordeel dat het RAD voldoende duidelijk werd opgesteld en gedetailleerd wordt weergegeven welke verboden voorwerpen op welke plaats in de cel van klager werden teruggevonden. Ook waren drie beambten getuige van de feiten. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager zelf niet gesproken heeft. De klachtencommissie stelt vast dat de advocaat van klager de motivering van de tuchtbeslissing onjuist acht omdat klager de feiten wel zou betwisten, maar op de hoorzitting niets heeft gezegd. De klachtencommissie is van oordeel dat klager en zijn advocaat op de tuchtrechtelijke hoorzitting de kans hebben gekregen om hun inhoudelijk verweer uiteen te zetten, maar ervoor gekozen hebben enkel in te gaan op de onwettigheid van de fouillering op het lichaam en de gevolgen van dien. In die zin acht de klachtencommissie de motivering van de tuchtbeslissing door de directie dan ook niet onjuist, aangezien noch klager noch zijn advocaat enig argument heeft aangehaald met betrekking tot de gevonden voorwerpen zelf. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten de tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.