KC10/25-0110
Fondée
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Autre décision directeur
VOORWERPEN - SCHADE
Klager beklaagt zich aanvankelijk over het niet in zijn bezit krijgen van een aantal goederen. Uit zijn klachten en de door de advocaat bijgebrachte rapportbriefjes blijkt het met name om voorwerpen uit een nazending vanuit Leuven te gaan. In een verdere klacht betreurt klager dat men de voorwerpen die volgens hem op een bepaald moment aan het onthaal in Hasselt lagen maar die verloren zijn gegaan, niet wil vergoeden. Op de aanvullende vragen van de klachtencommissie werd op 3 oktober 2025 geantwoord dat de directie besliste dat klager, voor zover hij kan aantonen dat hij de voorwerpen heeft aangekocht of in zijn bezit had tijdens zijn detentie, een zaakschadedossier kan aanvragen. Het is onduidelijk wanneer deze laatste beslissing werd genomen en hoe deze aan klager werd gecommuniceerd. Er werd hiervan door de directie geen schriftelijke beslissing bezorgd aan de klachtencommissie.
De klachtencommissie meent dat het bezorgen van bepaalde documenten door klager in het voorliggend dossier niet als voorwaarde gesteld kan worden vooraleer de directie een schadedossier opstart. Klager dient deze stukken in het kader van de samenstelling van een schadedossier weliswaar te bezorgen (voor zover hij er nog over beschikt). Klager gaf ter zitting van de klachtencommissie aan dat hij zeker niet meer over alle bewijzen beschikt. Aangezien het in het voorliggend dossier om een overbrenging ging, is het echter hoofdzakelijk de inventaris van bewaargeving en het formulier van overbrenging van voorwerpen dewelke van tel zijn. Deze documenten dienen door de directie aangeleverd te worden en zouden in het persoonlijk dossier van klager moeten zitten. De directie is volgens de klachtencommissie wel degelijk gehouden tot opstart van een schadedossier, zonder dat klager verdere voorafgaande formaliteiten dient te vervullen. Dat in het voorliggend dossier de door CB nr. 133 voorziene termijn van 14 dagen intussen ruim overschreden werd, is volgens de klachtencommissie niet te wijten aan klager, die immers aanhoudend de directie en uiteindelijk ook de klachtencommissie over de verdwenen voorwerpen aansprak en aanschreef. De klacht is gegrond.
De beslissing waarbij de opstart van een zaakschadedossier afhankelijk wordt gesteld van voorafgaande formaliteiten in hoofde van klager wordt vernietigd. De klachtencommissie draagt de directie op om, voor zover dit nog niet gebeurd zou zijn, binnen de 30 dagen na betekening van deze beslissing een zaakschadedossier op te starten voor de voorwerpen die klager volgens de inventaris van Leuven in zijn bezit had, doch na overplaatsing naar Hasselt niet ontving. De directie dient klager daarnaast een overzichtslijst te bezorgen van de voorwerpen die niet verloren gingen maar werden gedeponeerd, met opgave van de reden hiertoe.
Klager beklaagt zich aanvankelijk over het niet in zijn bezit krijgen van een aantal goederen. Uit zijn klachten en de door de advocaat bijgebrachte rapportbriefjes blijkt het met name om voorwerpen uit een nazending vanuit Leuven te gaan. In een verdere klacht betreurt klager dat men de voorwerpen die volgens hem op een bepaald moment aan het onthaal in Hasselt lagen maar die verloren zijn gegaan, niet wil vergoeden. Op de aanvullende vragen van de klachtencommissie werd op 3 oktober 2025 geantwoord dat de directie besliste dat klager, voor zover hij kan aantonen dat hij de voorwerpen heeft aangekocht of in zijn bezit had tijdens zijn detentie, een zaakschadedossier kan aanvragen. Het is onduidelijk wanneer deze laatste beslissing werd genomen en hoe deze aan klager werd gecommuniceerd. Er werd hiervan door de directie geen schriftelijke beslissing bezorgd aan de klachtencommissie.
De klachtencommissie meent dat het bezorgen van bepaalde documenten door klager in het voorliggend dossier niet als voorwaarde gesteld kan worden vooraleer de directie een schadedossier opstart. Klager dient deze stukken in het kader van de samenstelling van een schadedossier weliswaar te bezorgen (voor zover hij er nog over beschikt). Klager gaf ter zitting van de klachtencommissie aan dat hij zeker niet meer over alle bewijzen beschikt. Aangezien het in het voorliggend dossier om een overbrenging ging, is het echter hoofdzakelijk de inventaris van bewaargeving en het formulier van overbrenging van voorwerpen dewelke van tel zijn. Deze documenten dienen door de directie aangeleverd te worden en zouden in het persoonlijk dossier van klager moeten zitten. De directie is volgens de klachtencommissie wel degelijk gehouden tot opstart van een schadedossier, zonder dat klager verdere voorafgaande formaliteiten dient te vervullen. Dat in het voorliggend dossier de door CB nr. 133 voorziene termijn van 14 dagen intussen ruim overschreden werd, is volgens de klachtencommissie niet te wijten aan klager, die immers aanhoudend de directie en uiteindelijk ook de klachtencommissie over de verdwenen voorwerpen aansprak en aanschreef. De klacht is gegrond.
De beslissing waarbij de opstart van een zaakschadedossier afhankelijk wordt gesteld van voorafgaande formaliteiten in hoofde van klager wordt vernietigd. De klachtencommissie draagt de directie op om, voor zover dit nog niet gebeurd zou zijn, binnen de 30 dagen na betekening van deze beslissing een zaakschadedossier op te starten voor de voorwerpen die klager volgens de inventaris van Leuven in zijn bezit had, doch na overplaatsing naar Hasselt niet ontving. De directie dient klager daarnaast een overzichtslijst te bezorgen van de voorwerpen die niet verloren gingen maar werden gedeponeerd, met opgave van de reden hiertoe.