KC10/25-0096
Fondée
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Autre décision directeur
VOORWERPEN
Klager werd niet in het bezit gesteld van zijn boxen. Een klacht inzake de ontzegging van het bezit van een voorwerp behoort tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. Aangezien de directie zich beperkte tot te zeggen dat er géén beslissing ten aanzien van klager werd genomen, blijft het onduidelijk wat de grondslag is om klager het bezit van zijn boxen te ontzeggen. In zijn klachten haalt klager meermaals aan dat hij ze niet in zijn bezit mag hebben omdat hij ze in een andere gevangenis heeft aangekocht. Wie hem dit gezegd heeft, is niet duidelijk. De informatie die een lid van de klachtencommissie kreeg bij het onthaal spreekt dan weer over het bewijzen van de herkomst. Hiervan is het onduidelijk of dit aan klager werd gecommuniceerd. De klachtencommissie meent dat er in elk geval een beslissing werd genomen, zij het wellicht door een personeelslid, hetgeen het een beslissing namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet maakt. De klacht is ontvankelijk. Klager werd, in weerwil van wat de directie beweert, tot op heden nog niet in het bezit gesteld van zijn boxen. De klachtencommissie ziet zelf geen duidelijke reden waarom klager de boxen niet zou mogen hebben. Zelfs indien de boxen niet binnen de in het huishoudelijk reglement beschreven maten of aantallen zouden vallen, zijn er uitzonderingen mogelijk. De directie lijkt in elk geval van mening te zijn dat klager de boxen in zijn bezit heeft en dus mag hebben. Om bovenstaande redenen meent de klachtencommissie dat klager onterecht het bezit van zijn boxen wordt ontzegd. De klacht is gegrond. De beslissing om klager zijn boxen te onthouden wordt vernietigd. De klachtencommissie draagt de directie op om klager, zonder dat hij verdere voorafgaande formaliteiten dient te vervullen (zoals het bewijs van herkomst), binnen de 7 dagen na betekening van deze beslissing, in het bezit te stellen van de boxen die horen bij het bedieningspaneel dat klager reeds op cel heeft.
Klager werd niet in het bezit gesteld van zijn boxen. Een klacht inzake de ontzegging van het bezit van een voorwerp behoort tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. Aangezien de directie zich beperkte tot te zeggen dat er géén beslissing ten aanzien van klager werd genomen, blijft het onduidelijk wat de grondslag is om klager het bezit van zijn boxen te ontzeggen. In zijn klachten haalt klager meermaals aan dat hij ze niet in zijn bezit mag hebben omdat hij ze in een andere gevangenis heeft aangekocht. Wie hem dit gezegd heeft, is niet duidelijk. De informatie die een lid van de klachtencommissie kreeg bij het onthaal spreekt dan weer over het bewijzen van de herkomst. Hiervan is het onduidelijk of dit aan klager werd gecommuniceerd. De klachtencommissie meent dat er in elk geval een beslissing werd genomen, zij het wellicht door een personeelslid, hetgeen het een beslissing namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet maakt. De klacht is ontvankelijk. Klager werd, in weerwil van wat de directie beweert, tot op heden nog niet in het bezit gesteld van zijn boxen. De klachtencommissie ziet zelf geen duidelijke reden waarom klager de boxen niet zou mogen hebben. Zelfs indien de boxen niet binnen de in het huishoudelijk reglement beschreven maten of aantallen zouden vallen, zijn er uitzonderingen mogelijk. De directie lijkt in elk geval van mening te zijn dat klager de boxen in zijn bezit heeft en dus mag hebben. Om bovenstaande redenen meent de klachtencommissie dat klager onterecht het bezit van zijn boxen wordt ontzegd. De klacht is gegrond. De beslissing om klager zijn boxen te onthouden wordt vernietigd. De klachtencommissie draagt de directie op om klager, zonder dat hij verdere voorafgaande formaliteiten dient te vervullen (zoals het bewijs van herkomst), binnen de 7 dagen na betekening van deze beslissing, in het bezit te stellen van de boxen die horen bij het bedieningspaneel dat klager reeds op cel heeft.