KC10/25-0068
Fondée
Compensation
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - SUBSIDIARITEIT - TEGEMOETKOMING
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 6 mei 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager in de namiddag meermaals om een poetsemmer vraagt. Wanneer het personeel hem meermaals antwoordt dat hij dit in de voormiddag moet vragen, volgen er arrogante reacties. Een uur later stelt het personeelslid een marihuanageur vast. Tot slot hoort het personeelslid klager tegen de fatik zeggen “Dat zijn rookies man, echte rookies. Die kunnen niks.” De klachtencommissie stelt vast dat klager niet gesanctioneerd werd voor de marihuanageur. Hetgeen hij hierover in zijn klacht aanhaalt doet dan ook niet ter zake. Ter tuchtzitting ontkent klager dat hij de uitspraken gedaan heeft. Volgens de klachtencommissie haalt klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De directie kon de feiten dan ook bewezen achten.
De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing echter gebrekkig met betrekking tot de volgende punten.
In de motivering van de tuchtbeslissing wordt gesproken over een dwingende houding en agressie. De klachtencommissie kan in het RAD enkel terugvinden dat klager arrogant gereageerd zou hebben. Over agressie kan zij hierin niets terugvinden. Dit deel van de motivering vindt dan ook geen steun in de schriftelijke stukken van het dossier, waardoor het niet met de werkelijkheid strookt.
De directie kwalificeerde de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). Er wordt niet expliciet omschreven welke feiten een belediging van het personeel uitmaken. Bovendien stelt de klachtencommissie op basis van het RAD vast dat klager enkel tegen de fatik zou gezegd hebben “Dat zijn rookies man, echte rookies. Die kunnen niks.”. De klachtencommissie acht deze uitspraak, die bovendien niet rechtstreeks tegen het personeelslid werd gedaan, niet van zodanig zwaarwichtige aard dat ze tuchtrechtelijk gesanctioneerd moest worden. De klachtencommissie herinnert aan het subsidiariteitsprincipe van artikel 122 Basiswet. Het beroep op de tuchtprocedure moet beperkt blijven tot situaties waarin de handhaving van de orde en de veiligheid van de inrichting dit gebiedend rechtvaardigen en er geen enkel ander middel kan worden gebruikt om dit te verzekeren. Volgens de klachtencommissie was in het voorliggend dossier niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 122 Basiswet.
De directie kwalificeerde de feiten daarnaast als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). In de motivering wordt niet toegelicht welke bepaling van het huishoudelijk reglement klager overtreden zou hebben. Gelet op hetgeen in de motivering vermeld wordt over de poetsemmer, meent de klachtencommissie dat de kwalificatie hier wellicht betrekking op heeft. De klachtencommissie is van oordeel dat de bewoordingen van artikel 130, 2° van de Basiswet, namelijk “het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” strikt geïnterpreteerd dienen te worden en dat deze tuchtrechtelijke inbreuk enkel aan de gedetineerde ten laste kan worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement bevat echter géén regel die zegt dat klager zijn poetsemmer in de voormiddag moet vragen. Volgens de klachtencommissie kan het feit dat klager in de middag om een poetsemmer vroeg dan ook niet gekwalificeerd worden als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet).
De klacht is gegrond. Klager krijgt als tegemoetkoming 60 minuten belkrediet.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 6 mei 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager in de namiddag meermaals om een poetsemmer vraagt. Wanneer het personeel hem meermaals antwoordt dat hij dit in de voormiddag moet vragen, volgen er arrogante reacties. Een uur later stelt het personeelslid een marihuanageur vast. Tot slot hoort het personeelslid klager tegen de fatik zeggen “Dat zijn rookies man, echte rookies. Die kunnen niks.” De klachtencommissie stelt vast dat klager niet gesanctioneerd werd voor de marihuanageur. Hetgeen hij hierover in zijn klacht aanhaalt doet dan ook niet ter zake. Ter tuchtzitting ontkent klager dat hij de uitspraken gedaan heeft. Volgens de klachtencommissie haalt klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De directie kon de feiten dan ook bewezen achten.
De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing echter gebrekkig met betrekking tot de volgende punten.
In de motivering van de tuchtbeslissing wordt gesproken over een dwingende houding en agressie. De klachtencommissie kan in het RAD enkel terugvinden dat klager arrogant gereageerd zou hebben. Over agressie kan zij hierin niets terugvinden. Dit deel van de motivering vindt dan ook geen steun in de schriftelijke stukken van het dossier, waardoor het niet met de werkelijkheid strookt.
De directie kwalificeerde de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). Er wordt niet expliciet omschreven welke feiten een belediging van het personeel uitmaken. Bovendien stelt de klachtencommissie op basis van het RAD vast dat klager enkel tegen de fatik zou gezegd hebben “Dat zijn rookies man, echte rookies. Die kunnen niks.”. De klachtencommissie acht deze uitspraak, die bovendien niet rechtstreeks tegen het personeelslid werd gedaan, niet van zodanig zwaarwichtige aard dat ze tuchtrechtelijk gesanctioneerd moest worden. De klachtencommissie herinnert aan het subsidiariteitsprincipe van artikel 122 Basiswet. Het beroep op de tuchtprocedure moet beperkt blijven tot situaties waarin de handhaving van de orde en de veiligheid van de inrichting dit gebiedend rechtvaardigen en er geen enkel ander middel kan worden gebruikt om dit te verzekeren. Volgens de klachtencommissie was in het voorliggend dossier niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 122 Basiswet.
De directie kwalificeerde de feiten daarnaast als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). In de motivering wordt niet toegelicht welke bepaling van het huishoudelijk reglement klager overtreden zou hebben. Gelet op hetgeen in de motivering vermeld wordt over de poetsemmer, meent de klachtencommissie dat de kwalificatie hier wellicht betrekking op heeft. De klachtencommissie is van oordeel dat de bewoordingen van artikel 130, 2° van de Basiswet, namelijk “het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” strikt geïnterpreteerd dienen te worden en dat deze tuchtrechtelijke inbreuk enkel aan de gedetineerde ten laste kan worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement bevat echter géén regel die zegt dat klager zijn poetsemmer in de voormiddag moet vragen. Volgens de klachtencommissie kan het feit dat klager in de middag om een poetsemmer vroeg dan ook niet gekwalificeerd worden als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet).
De klacht is gegrond. Klager krijgt als tegemoetkoming 60 minuten belkrediet.