Ga verder naar de inhoud

KC10/24-0158

Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - RECHT OP TEGENSPRAAK - BIJSTAND ADVOCAAT

De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 15.11.2024, uitgesproken door de directie van de gevangenis van Hasselt.

De directie nam op 13.11.2024 kennis van het rapport en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Uit het bijgevoegde mailverkeer blijkt dat de raadsman van klager op 13.11.2024 werd
uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting die gepland stond op 18.11.2024 om 10u30. Klager verklaart in haar klacht dat zij ook een uitnodiging ontving voor een hoorzitting op 18.11.2024. Uit
het antwoord van de directie in het bijgevoegde mailverkeer blijkt dat de initiële hoorzitting inderdaad gepland stond op 18.11.2024. Desalniettemin blijkt uit de dossierstukken dat klager al op 15.11.2024 werd opgeroepen om te verschijnen voor de directie en dat haar raadsman hiervan niet in kennis werd gesteld.

Het tuchtdossier bevat een verklaring weigering te worden gehoord op naam van klager. Deze verklaring werd niet ondertekend door klager. Klager verklaart ook in haar klacht dat dit niet haar
beslissing was. Zij zou hebben gezegd dat zij wel wenste gehoord te worden, maar in aanwezigheid van haar advocaten. Volgens de directie is klager niet tot bij de directie willen komen om een uitstel
te verzoeken. Klager werd vervolgens bij verstek tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie.

De klachtencommissie stelt in eerste instantie vast dat de directie is tekort gekomen aan haar verplichting om de aanwezigheid van de advocaat van klager tijdens de zitting te garanderen. De directie hield de hoorzitting niet op het geplande tijdstip en heeft de advocaat van klager ook niet verwittigd van deze wijziging waardoor hij niet aanwezig was op 15.11.2024. Indien de advocaat van de gedetineerde niet verschijnt op de hoorzitting, dient de directie zich ervan te verzekeren dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand doet van zijn fundamenteel bijstandsrecht. De klachtencommissie meent dat de directie ook heeft verzuimd aan deze verplichting. Op basis van een niet-ondertekende verklaring weigering te worden gehoord, die de directie bovendien ontving van een beambte, zonder zelf tot bij klager te gaan om haar beweegredenen te horen en omdat klager uit zichzelf geen uitstel had verzocht, concludeerde de directie dat klager afstand deed van haar recht op bijstand en zelfs haar hoorrecht. Nochtans bleek nadien uit een gesprek met klager en de directie dat klager niet eens wist dat zij om een uitstel kon verzoeken.

Op basis van de klacht van klager, besluit de klachtencommissie dat klager absoluut geen afstand deed van haar recht op bijstand, noch van haar hoorrecht. Dat de directeur vervolgens toch de
hoorzitting liet doorgaan, is in strijd met Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013.

Aangezien de reden van de afwezigheid van de opgegeven raadsman niet bij klager lag, is het onredelijk dat de directie in de gegeven omstandigheden geen eenmalig uitstel toekende, vooral
omdat er geen voorlopige maatregel was opgelegd. De klachtencommissie besluit dat de tuchtsanctie werd opgelegd in strijd met het recht van verdediging van klager. Dat deze flagrante schending door de directie op 21.11.2024 werd toegegeven aan de advocaat van klager en werd benoemd als een materiële vergissing zonder dat de directie bijgevolg de sanctie stopzette, vindt de klachtencommissie uiterst frappant. Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond.