Ga verder naar de inhoud

KC10/24-0153

Non fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES

De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 21.11.2024.

De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd op 21.11.2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie, naar aanleiding van
de vondst van 312gr speed, 26gr marihuana, vijf pillen, twee spuiten met en zonder naald, een flesje vloeistof en blaadjes, tijdens een naaktfouille na terugkomst van een uitgaansvergunning (UV). De klachtencommissie stelt vast dat klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting het bezit van verboden substanties niet heeft ontkend. Volgens hem werd hij tijdens zijn UV aangesproken en onder druk gezet om het pakketje met substanties naar binnen te smokkelen, zo niet ging hij in de problemen komen in de gevangenis. Hij wist dat dat niet mocht maar hij heeft het toch gedaan uit schrik. Bijgevolg lijkt hij de tuchtinbreuk en het opleggen van een sanctie, niet te betwisten.

Klager meent echter dat de opgelegde sanctie te lang is omdat hij al een ATV-sanctie van 21 dagen onderging en opeenvolgende ATV-sancties in totaal de dertig dagen niet mogen overschrijden. De klachtencommissie beperkt haar onderzoek bijgevolg tot de wettelijkheid en redelijkheid van de straftoemeting. Klager heeft een algemene tuchtsanctie van dertig dagen ATV gekregen. Dit is de wettelijk toegelaten maximumsanctie voor een tuchtinbreuk van eerste categorie.6 De tuchtsanctie is op zichzelf dus wettig. Uit het RAD blijkt dat de vondst van het pakketje werd gedaan op 18.11.2024. Klager stond ten gevolge van de tuchtbeslissing van 04.11.2024 tot en met 22.11.2024 onder ATV. De ATV-sanctie,
opgelegd op 21.11.2024 ging in vanaf 24.11.2024 tot en met 23.12.2024, zo blijkt uit de bestreden tuchtbeslissing. Volgens de klachtencommissie impliceert de rechtspraak van de Raad van State dat de techniek die de directie in het voorliggend dossier toepaste, namelijk 24u tussen de uitvoering van twee ATV-sancties laten zodat er geen sprake is van een “verlenging” in de zin van artikel 142 Basiswet, de enige mogelijke manier is om toch over te gaan tot sanctionering voor een inbreuk die tijdens een lopende ATV-sanctie werd gepleegd. Hiermee wordt volgens de klachtencommissie ook de bedoeling van de wetgever gerespecteerd om, gelet op het ingrijpend karakter van deze sanctie, tussen twee opeenvolgende afzonderingen in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte een “tijdsruimte” (lees: termijn) van ten minste 24 uren te laten.

De klachtencommissie meent niet dat het de bedoeling van de wetgever was om sanctionering van nieuwe tuchtinbreuken gepleegd tijdens een lopende ATV-sanctie compleet onmogelijk te maken. Bovenstaande door de directie toegepaste techniek niet aanvaarden zou immers een totale
vrijgeleide betekenen om tijdens een lopende ATV-sanctie nieuwe tuchtinbreuken te plegen. Volgens de klachtencommissie doorstaat de handelswijze van de directie, waarbij klager voor een tuchtinbreuk gepleegd tijdens een lopende ATV-sanctie, een nieuwe ATV-sanctie opgelegd krijgt die pas ingaat 24 uur na afloop van de eerste ATV-sanctie, de toets van de wettigheid. De klachtencommissie is tenslotte van oordeel dat de opgelegde tuchtsanctie niet onredelijk of onbillijk is aangezien uit zijn tuchtregister blijkt dat klager de afgelopen drie maanden erin slaagde
om al vier tuchtinbreuken te plegen. Klager lijkt hardleers. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.