Ga verder naar de inhoud

KC10/24-0148

Non fondée Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Autre décision directeur Disciplinaire
TUCHT

De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 15.11.2024 en de opstart van bijzondere bewaking (BB) door de directie.

Wat betreft de opstart van de bijzondere bewaking:
De directie stelt in haar verweer dat deze bijzondere bewaking kadert in een crisisprocedure die werd opgestart naar aanleiding van vermoedens van suïcidale gedachten bij klager. De klachtencommissie stelt vast dat noch de Basiswet, noch een koninklijk besluit, noch een collectieve brief, noch het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Hasselt verwijzen naar de term crisisprocedure en bijzondere bewaking.
De klachtencommissie heeft om deze reden op 22.11.2024 om bijkomende informatie verzocht. De klachtencommissie leidt uit de bijkomende informatie af dat de opstart van een crisisprocedure, met inbegrip van bijzondere bewaking, een beslissing is die mede door de directeur wordt genomen. Uit de dossierstukken blijkt dat klager een eerste keer van 9 tot en met 15 oktober onder bijzondere bewaking stond en vanaf 8 tot en met 12 november voor de tweede keer. De klacht is ontvankelijk.

Uit het verweer en de bijkomende informatie van de directie blijkt dat de crisisprocedure bijzondere bewaking om de dertig minuten inhoudt alsook de inname van medicatie onder toezicht en een nabije betrokkenheid van zorgverleners. De klachtencommissie meent dat bijzondere bewaking om de dertig minuten neerkomt op een observatie van de gedetineerde. De observatie van een gedetineerde (overdag en tijdens de nacht) kan echter enkel plaatsvinden in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM), die enkel onder bepaalde voorwaarden door de directeur ten aanzien van een gedetineerde kan worden opgelegd of in het kader van de plaatsing van een gedetineerde onder een individueel bijzonder veiligheidsregime (IBVR) door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde. De klachtencommissie stelt aan de hand van de dossierstukken vast dat de vrees voor suïcide terecht was. De klachtencommissie wijst de directie er op dat de vrees voor suïcide een ernstige aanwijzing van een gevaar voor de orde of veiligheid uitmaakt waardoor het gerechtvaardigd is om in dat geval een BVM op te leggen.

Hoewel de betrokkenheid en de nabije opvolging door een team van zorgverleners noodzakelijk en toe te juichen is, besluit de klachtencommissie dat het opstarten van een crisisprocedure, met inbegrip van bijzondere bewaking, een creatie is van de gevangenis van Hasselt, die dezelfde gevolgen heeft als een BVM maar dat deze goedbedoelde praktijk onwettig is aangezien deze het parallelle systeem van de wettelijk verankerde bijzondere veiligheidsmaatregelen ontloopt. Om deze reden is deze klacht kennelijk gegrond.

Wat betreft de tuchtbeslissing van 15.11.2024:
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie, en het geen gevolg geven aan de
aanmaningen en de bevelen van het personeel, een tuchtinbreuk van tweede categorie, naar aanleiding van feiten die werden meegedeeld in een rapport aan de directeur (RAD) van 10.11.2024. De opsteller van het RAD werd in de voormiddag van 10.11.2024 door de medische dienst per mail in kennis gesteld dat klager onder BB 30 min stond en dus ook medicatie onder toezicht, met inbegrip van zijn insuline. De handeling mocht klager zelf doen maar de insulinepen en toebehoren, zoals de naaldjes, mochten niet in de cel blijven. De opsteller ging vervolgens omstreeks 13u10 langs bij klager om de insulinepen en toebehoren in bewaring te nemen. Klager zou echter geweigerd hebben om deze af te geven en hij dreigde met geweld indien men deze zou komen halen. Na contactname met de adjudant werd besloten om hem deze voorlopig te laten houden om verdere escalatie te vermijden.

Toen de opsteller dit bij klager ging melden, zat klager op zijn stoel met een spuit in zijn handen en één van zijn dreigementen was dat hij iemand van de bewaking ging steken als er een interventie zou plaatsvinden. Klager werd op 15.11.2024 gehoord door de directie. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager verklaarde dat hij de insulinepennen uiteindelijk wel wou afgeven maar dat hij in dat geval verdere medische behandeling zou weigeren. Hij was immers kwaad en ongerust. Hij wou de insulinepen bijhouden voor het geval hij die ’s nachts nodig zou hebben. Klager ontkent bedreigingen te hebben geuit naar de beambte. Hij bewaart zijn
naalden in zijn etui en die naalden zijn bovendien zodanig dun en kort dat die slechts weinig schade zouden veroorzaken.

In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD opgemaakt ook ondertekend door een getuige. Klager heeft overigens toegegeven tijdens de zitting dat hij zijn insulinepen aanvankelijk inderdaad niet wou afgeven. De
klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuken kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet
onredelijk of onbillijk was. Om deze redenen is deze klacht kennelijk ongegrond.