Ga verder naar de inhoud

KC10/24-0090

Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Mesure de sécurité particulière
BVM - TUCHT

De klachtencommissie heeft kennis genomen van de dossierstukken. Er werd een RAD opgemaakt omdat een vechtpartij tijdens de wandeling werd vastgesteld. Volgens het RAD zou klager, samen met een andere gedetineerde, een vechtpartij tegen een andere gedetineerde hebben gestart. Ook nadat deze gedetineerde werd binnengehaald, bleef klager zowel verbaal als fysiek uithalen, deze keer naar een andere gedetineerde. De wandeling moest in groepen naar binnen gehaald worden. Volgens het RAD nam de directeur de dag nadien kennis van het RAD en besliste om een tuchtprocedure op te starten waarna zij besloot om een voorlopige maatregel op te leggen waarbij klager verplicht werd toegewezen aan zijn verblijfsruimte omwille van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid.

Uit het RAD blijkt duidelijk dat klager een tuchtinbreuk van eerste categorie heeft begaan, namelijk de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit. De directie had ook al besloten om een tuchtprocedure op te starten en om klager, in afwachting van de tuchtrechtelijke hoorzitting, af te zonderen in zijn cel door middel van een voorlopige maatregel. Desondanks werd klager toch gehoord in het kader van de procedure BVM en nadien werd een BVM opgelegd. De Basiswet en Collectieve Brief nr. 156 bepalen nochtans dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, enkel de tuchtprocedure wordt opgestart. Dit werd ook bevestigd in de uitspraak van de Nederlandstalige Beroepscommissie van 09.01.2024.

De directie had conform de Basiswet, de tuchtprocedure verder moeten doorlopen, met inbegrip van de garanties zoals het recht op bijstand van een advocaat, en indien bleek dat na de afloop van de tuchtsanctie, er nog steeds ernstige aanwijzingen bestonden van een gevaar voor de orde of de veiligheid, kon zij toen een BVM opleggen. Gelet op de schending van artikel 111, §2 van de Basiswet, was de beslissing om een BVM op te leggen, onwettig. De klachtencommissie merkt ten overvloede op dat bij de berekening van de duurtijd van de BVM ten onrechte geen rekening werd gehouden met de periode die klager reeds had doorgebracht onder voorlopige maatregel waardoor klager de facto langer dan zeven dagen de bijzondere veiligheidsmaatregelen moest ondergaan.

Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de BVM. In de klacht werd de vernietiging van de BVM gevraagd. Bijgevolg komt de gegrondverklaring van de klacht overeen met de gevraagde tegemoetkoming zodat de klachtencommissie geen andere tegemoetkoming toekent.