KC09/24-0383
Fondée
KC - Gent
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
FOUILLERING - KLEDIJ - TUCHT - BEWIJS - KWALIFICATIE
De klacht is tweeledig en betreft een beslissing tot onderzoek aan de kledij en de uitvoering hiervan en een tuchtbeslissing.
- Wat betreft de klacht over het onderzoek aan de kledij
Anders dan voor een fouillering aan het lichaam, vereist de Basiswet voor een onderzoek aan de kledij geen schriftelijk gemotiveerde individuele beslissing van de directeur. Een onderzoek aan de kledij mag uitgevoerd worden indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid. Een concreet voorbeeld van omstandigheden waarin het onderzoek dient plaats te vinden is – zoals vermeld – bij een interne beweging zoals een wandeling. Dit is het geval geweest bij klaagster. De beslissing om klaagster te onderwerpen aan het onderzoek aan de kledij op basis van de waarneming dat er iets in klagers jaszak stak, is bijgevolg wettig, en niet onredelijk of onbillijk.
Klaagster beklaagt zich specifiek over de wijze van uitvoering van het onderzoek aan de kledij. Ze meldt dat de beambte die haar fouilleerde met de handen in haar jaszak heeft getast.
De klachtencommissie stelt vast dat de uitvoering van het onderzoek aan de kledij niet heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit collectieve brief nr. 141: in plaats van zelf in de jaszakken te tasten, had de beambte aan klaagster moeten vragen om alle voorwerpen die klager op haar droeg te overhandigen, alsook om (in functie van de instructies van de directeur) haar jas uit te doen vooraleer deze onderzocht werd.
Hoewel deze werkwijze in strijd is met de richtlijnen, kan de klachtencommissie geen onwettigheid vaststellen: dat de beambte zelf de jaszakken van klaagster binnendrong betekent volgens de klachtencommissie niet dat het onderzoek een tergend karakter had of in strijd was met de eerbiediging van de waardigheid van klaagster. De fouille aan de kledij heeft dus plaatsgevonden in overeenstemming met de bepalingen uit de Basiswet.
De klachtencommissie acht de beslissing en de uitvoering van het onderzoek aan de kledij niet in strijd met de bepalingen uit de Basiswet, noch onredelijk of onbillijk.
De klacht is aldus niet gegrond.
- Wat betreft de tuchtbeslissing
Klaagster werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor de inbreuk ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’. Klaagster kreeg hiervoor een tuchtsanctie van 15 dagen ATV opgelegd.
In voorliggend geval werd het bezit van de pil in klaagsters jaszak effectief vastgesteld. In haar tuchtbeslissing verwijst de directie naar de vaststellingen in het RAD en de verklaring van klaagster dat ze de verdachte substantie van een medegedetineerde heeft ontvangen nadat zij haar tabak had gegeven. De directie voegt hieraan toe dat dergelijke transacties verboden zijn en verwijst naar het huishoudelijk reglement.
De directie sanctioneert klaagster voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie onvoldoende aantoont waarom klager zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Vooreerst wijst zij erop dat in de motivering van de tuchtbeslissing wordt vermeld dat klaagster heeft toegegeven dat ze de verdachte substantie van een medegedetineerde heeft ontvangen. Klaagster heeft inderdaad toegegeven dat ze in het bezit was van de pil, maar voegde hieraan toe dat ze niet wist wat het was. Ze heeft niet toegegeven in het bezit geweest te zijn van een door de wet verboden substantie.
Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt niet waarom de directie klaagster schuldig achtte aan deze tuchtinbreuk. De klachtencommissie wijst erop dat volgens het huidig reglementair kader een substantie niet hoeft te worden getest vooraleer een gedetineerde schuldig kan worden geacht aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden substanties. Dit doet evenwel niets af aan het feit dat de directie moet aantonen op basis van welke specifieke elementen zij klager schuldig acht aan deze tuchtinbreuk. Op basis van het tuchtdossier is echter niet aangetoond dat hetgeen bij klaagster aangetroffen werd, effectief een verboden substantie was. Bijgevolg is er onvoldoende bewijs om klaagster voor deze tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie te sanctioneren.
Daarentegen staat het wel vast dat klaagster tabak heeft doorgegeven. De klachtencommissie benadrukt, net als de directie in haar tuchtbeslissing, dat dit een schending van het huishoudelijk reglement uitmaakt. Voor deze feiten kan klaagster wel tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden.
Gelet op de onduidelijkheid die er bestond over de aard van de pil en het feit dat de directie op geen enkele manier heeft gemotiveerd op basis van welke elementen zij van oordeel was dat het een verboden substantie (en geen, bijvoorbeeld, niet-voorgeschreven medicatie) betrof, meent de klachtencommissie dat de directie klaagster louter schuldig kon achten aan het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (wat een tuchtinbreuk van de tweede categorie betreft), meer bepaald bovenstaande bepaling.
De klacht is om bovenstaande redenen gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en stelt haar beslissing in de plaats van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- De tuchtsanctie van 15 dagen ATV wegens één tuchtinbreuk van eerste categorie, zijnde het ‘bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’
wordt vervangen door:
- Een tuchtsanctie van 15 dagen ATV wegens één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’.
De klachtencommissie draagt de directie op om de omschrijving van de tuchtinbreuk op deze manier aan te passen in het tuchtregister van klager. Aangezien de tuchtsanctie van 15 dagen ATV ook bij een gewijzigde kwalificatie wettig is en deze op de klachtencommissie niet onredelijk of onbillijk overkomt, zijn er geen gevolgen die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt en kent de klachtencommissie geen tegemoetkoming toe.
De klacht is tweeledig en betreft een beslissing tot onderzoek aan de kledij en de uitvoering hiervan en een tuchtbeslissing.
- Wat betreft de klacht over het onderzoek aan de kledij
Anders dan voor een fouillering aan het lichaam, vereist de Basiswet voor een onderzoek aan de kledij geen schriftelijk gemotiveerde individuele beslissing van de directeur. Een onderzoek aan de kledij mag uitgevoerd worden indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid. Een concreet voorbeeld van omstandigheden waarin het onderzoek dient plaats te vinden is – zoals vermeld – bij een interne beweging zoals een wandeling. Dit is het geval geweest bij klaagster. De beslissing om klaagster te onderwerpen aan het onderzoek aan de kledij op basis van de waarneming dat er iets in klagers jaszak stak, is bijgevolg wettig, en niet onredelijk of onbillijk.
Klaagster beklaagt zich specifiek over de wijze van uitvoering van het onderzoek aan de kledij. Ze meldt dat de beambte die haar fouilleerde met de handen in haar jaszak heeft getast.
De klachtencommissie stelt vast dat de uitvoering van het onderzoek aan de kledij niet heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit collectieve brief nr. 141: in plaats van zelf in de jaszakken te tasten, had de beambte aan klaagster moeten vragen om alle voorwerpen die klager op haar droeg te overhandigen, alsook om (in functie van de instructies van de directeur) haar jas uit te doen vooraleer deze onderzocht werd.
Hoewel deze werkwijze in strijd is met de richtlijnen, kan de klachtencommissie geen onwettigheid vaststellen: dat de beambte zelf de jaszakken van klaagster binnendrong betekent volgens de klachtencommissie niet dat het onderzoek een tergend karakter had of in strijd was met de eerbiediging van de waardigheid van klaagster. De fouille aan de kledij heeft dus plaatsgevonden in overeenstemming met de bepalingen uit de Basiswet.
De klachtencommissie acht de beslissing en de uitvoering van het onderzoek aan de kledij niet in strijd met de bepalingen uit de Basiswet, noch onredelijk of onbillijk.
De klacht is aldus niet gegrond.
- Wat betreft de tuchtbeslissing
Klaagster werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor de inbreuk ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’. Klaagster kreeg hiervoor een tuchtsanctie van 15 dagen ATV opgelegd.
In voorliggend geval werd het bezit van de pil in klaagsters jaszak effectief vastgesteld. In haar tuchtbeslissing verwijst de directie naar de vaststellingen in het RAD en de verklaring van klaagster dat ze de verdachte substantie van een medegedetineerde heeft ontvangen nadat zij haar tabak had gegeven. De directie voegt hieraan toe dat dergelijke transacties verboden zijn en verwijst naar het huishoudelijk reglement.
De directie sanctioneert klaagster voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie onvoldoende aantoont waarom klager zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Vooreerst wijst zij erop dat in de motivering van de tuchtbeslissing wordt vermeld dat klaagster heeft toegegeven dat ze de verdachte substantie van een medegedetineerde heeft ontvangen. Klaagster heeft inderdaad toegegeven dat ze in het bezit was van de pil, maar voegde hieraan toe dat ze niet wist wat het was. Ze heeft niet toegegeven in het bezit geweest te zijn van een door de wet verboden substantie.
Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt niet waarom de directie klaagster schuldig achtte aan deze tuchtinbreuk. De klachtencommissie wijst erop dat volgens het huidig reglementair kader een substantie niet hoeft te worden getest vooraleer een gedetineerde schuldig kan worden geacht aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden substanties. Dit doet evenwel niets af aan het feit dat de directie moet aantonen op basis van welke specifieke elementen zij klager schuldig acht aan deze tuchtinbreuk. Op basis van het tuchtdossier is echter niet aangetoond dat hetgeen bij klaagster aangetroffen werd, effectief een verboden substantie was. Bijgevolg is er onvoldoende bewijs om klaagster voor deze tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie te sanctioneren.
Daarentegen staat het wel vast dat klaagster tabak heeft doorgegeven. De klachtencommissie benadrukt, net als de directie in haar tuchtbeslissing, dat dit een schending van het huishoudelijk reglement uitmaakt. Voor deze feiten kan klaagster wel tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden.
Gelet op de onduidelijkheid die er bestond over de aard van de pil en het feit dat de directie op geen enkele manier heeft gemotiveerd op basis van welke elementen zij van oordeel was dat het een verboden substantie (en geen, bijvoorbeeld, niet-voorgeschreven medicatie) betrof, meent de klachtencommissie dat de directie klaagster louter schuldig kon achten aan het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (wat een tuchtinbreuk van de tweede categorie betreft), meer bepaald bovenstaande bepaling.
De klacht is om bovenstaande redenen gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en stelt haar beslissing in de plaats van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- De tuchtsanctie van 15 dagen ATV wegens één tuchtinbreuk van eerste categorie, zijnde het ‘bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’
wordt vervangen door:
- Een tuchtsanctie van 15 dagen ATV wegens één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’.
De klachtencommissie draagt de directie op om de omschrijving van de tuchtinbreuk op deze manier aan te passen in het tuchtregister van klager. Aangezien de tuchtsanctie van 15 dagen ATV ook bij een gewijzigde kwalificatie wettig is en deze op de klachtencommissie niet onredelijk of onbillijk overkomt, zijn er geen gevolgen die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt en kent de klachtencommissie geen tegemoetkoming toe.