KC06/26-0087
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Er werd immers een briefje onderschept op de vleugel waar klager verblijft, waarop informatie stond met betrekking tot de mogelijke handel in verboden substanties. Aangezien klager op dezelfde dag en op hetzelfde uur als op het briefje vermeld stond, op UV mocht, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie redelijkerwijs mocht vermoeden dat klager mogelijks te maken had met de handel in verboden substanties. Deze individuele aanwijzingen zijn volgens de klachtencommissie dan ook voldoende als vermoeden om over te gaan tot een fouillering op het lichaam. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
De klachtencommissie benadrukt dat het hier evenwel gaat om individuele aanwijzingen die doen vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van verboden voorwerpen of substanties en daarom een fouillering op het lichaam rechtvaardigen. Het gaat hier geenszins om het bewijs van een tuchtrechtelijke inbreuk, aangezien klager op het moment van de indiening van de klacht nog niet tuchtrechtelijk gehoord was door de directie en er nog geen tuchtbeslissing werd genomen. De klacht is om deze reden niet gegrond.
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Er werd immers een briefje onderschept op de vleugel waar klager verblijft, waarop informatie stond met betrekking tot de mogelijke handel in verboden substanties. Aangezien klager op dezelfde dag en op hetzelfde uur als op het briefje vermeld stond, op UV mocht, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie redelijkerwijs mocht vermoeden dat klager mogelijks te maken had met de handel in verboden substanties. Deze individuele aanwijzingen zijn volgens de klachtencommissie dan ook voldoende als vermoeden om over te gaan tot een fouillering op het lichaam. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
De klachtencommissie benadrukt dat het hier evenwel gaat om individuele aanwijzingen die doen vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van verboden voorwerpen of substanties en daarom een fouillering op het lichaam rechtvaardigen. Het gaat hier geenszins om het bewijs van een tuchtrechtelijke inbreuk, aangezien klager op het moment van de indiening van de klacht nog niet tuchtrechtelijk gehoord was door de directie en er nog geen tuchtbeslissing werd genomen. De klacht is om deze reden niet gegrond.