Ga verder naar de inhoud

KC06/26-0077

Non fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VM - TUCHT

- Over de voorlopige maatregel:
Klager geeft in zijn klacht geen precieze redenen waarom hij het niet eens is met de voorlopige maatregel, maar stelt enkel dat hij de straf te zwaar vindt. De klachtencommissie benadrukt vooreerst dat een voorlopige maatregel geen straf is, en ook niet genomen mag worden met het oog op de onmiddellijke bestraffing. De klachtencommissie is van oordeel dat gelet op de hoeveelheid van de aangetroffen verboden substanties deze voorlopige maatregel, namelijk de uitsluiting van alle gemeenschappelijke activiteiten, noodzakelijk was in afwachting van verder onderzoek door de directie. Het ging immers om een hoeveelheid verboden substanties die de gebruikershoeveelheid overschrijdt, wat het risico op de handel in drugs alsook het risico op fysieke afrekening of andere drukkingsmiddelen met zich mee kan brengen. Dit werd ook duidelijk gemotiveerd door de directie. De voorlopige maatregel werd dan ook niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was. Gelet op de feiten was de voorlopige maatregel ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

- Over de tuchtbeslissing:
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien betwist klager noch tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, noch in zijn klacht de feiten zelf. Hij meent enkel dat de strafmaat te zwaar is in vergelijking met andere gedetineerden. De Basiswet bepaalt dat de directeur de keuze heeft om over de aard en de omvang van de tuchtsanctie te beslissen. De directeur dient daarbij rekening te houden met de wettelijk bepaalde maximumsanctie en met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de sanctie. De straftoemeting is individueel. De directeur heeft een algemene tuchtsanctie opgelegd in de vorm van 21 dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het feit dat klager niet de maximumstraf heeft gekregen en gelet op de ernst van de feiten. Het gegeven dat klager de feiten heeft toegegeven en vlot heeft meegewerkt aan de fouillering op het lichaam, werd door de directie in rekening gebracht in het straftotaal.

De stelling van klager dat hij driemaal gestraft zou worden voor dezelfde tuchtrechtelijke inbreuk, is incorrect. Zo werd hierboven uitgelegd dat een voorlopige maatregel geenszins een straf is en ook geen bestraffend oogmerk heeft. Het feit dat de uitgangsvergunningen van klager herroepen zouden zijn, betreft evenmin een tuchtsanctie. De klachtencommissie is ook niet bevoegd om over het al dan niet toekennen of intrekken van uitgangsvergunningen te oordelen, aangezien het hier gaat om een regeling inzake strafuitvoeringsmodaliteiten wat de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf betreft. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.