KC06/26-0075
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM
- Met betrekking tot de fouillering
Uit het verweer van de directie blijkt dat er de voorbije periode meerdere signalen zijn binnengekomen waaruit blijkt dat klager gedrag stelt dat doet vermoeden dat hij betrokken is bij het bezit van of de handel in verboden substanties. Uit de observatiefiche van klager blijkt dat klager op de dag van de fouillering zichtbaar geagiteerd rondliep op de vleugel, en tijdens de etensbedeling en andere vaste momenten herhaaldelijk vroeg om een extra beweging. Klager reageerde prikkelbaar. De klachtencommissie is van oordeel dat uit deze motivering van de fouillering op het lichaam voldoende duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
De klachtencommissie benadrukt dat het feit dat tijdens de fouillering op het lichaam van klager uiteindelijk niets werd gevonden, geen afbreuk doet aan de wettigheid van de beslissing tot fouillering zelf.
- Met betrekking tot de uitvoering:
De klachtencommissie verwijst naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2 april 2026 waarbij geoordeeld werd dat artikel 148, eerste lid Basiswet zo kan worden geïnterpreteerd dat de gedetineerde eveneens beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. Enkel in die interpretatie is artikel 148, eerste lid Basiswet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De klacht over de uitvoering van deze fouillering op het lichaam is bijgevolg eveneens ontvankelijk.
Klager stelt dat ze hem naakt hebben gefilmd en zijn geslachtsdelen en achterwerk hebben bekeken. Hoewel de klachtencommissie begrijpt dat de fouillering op het lichaam een ingrijpend karakter heeft, stelt zij vast dat de Basiswet toelaat om tijdens een wettige naaktfouillering de gedetineerde te verplichten om zich uit te kleden tot op het lichaam en de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen. De klachtencommissie ziet geen reden waarom deze fouillering een tergend karakter zou hebben gehad. Uit het verweer van de directie blijkt duidelijk dat er nooit gefilmd wordt tijdens een fouillering op het lichaam. Ook heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat er een inbreuk heeft plaatsgevonden op de door Collectieve Brief nr. 141 van 30 januari 2017, Bijlage 3 geregelde de wijze waarop de fouillering dient te worden uitgevoerd.
- Met betrekking tot de fouillering
Uit het verweer van de directie blijkt dat er de voorbije periode meerdere signalen zijn binnengekomen waaruit blijkt dat klager gedrag stelt dat doet vermoeden dat hij betrokken is bij het bezit van of de handel in verboden substanties. Uit de observatiefiche van klager blijkt dat klager op de dag van de fouillering zichtbaar geagiteerd rondliep op de vleugel, en tijdens de etensbedeling en andere vaste momenten herhaaldelijk vroeg om een extra beweging. Klager reageerde prikkelbaar. De klachtencommissie is van oordeel dat uit deze motivering van de fouillering op het lichaam voldoende duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
De klachtencommissie benadrukt dat het feit dat tijdens de fouillering op het lichaam van klager uiteindelijk niets werd gevonden, geen afbreuk doet aan de wettigheid van de beslissing tot fouillering zelf.
- Met betrekking tot de uitvoering:
De klachtencommissie verwijst naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2 april 2026 waarbij geoordeeld werd dat artikel 148, eerste lid Basiswet zo kan worden geïnterpreteerd dat de gedetineerde eveneens beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. Enkel in die interpretatie is artikel 148, eerste lid Basiswet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De klacht over de uitvoering van deze fouillering op het lichaam is bijgevolg eveneens ontvankelijk.
Klager stelt dat ze hem naakt hebben gefilmd en zijn geslachtsdelen en achterwerk hebben bekeken. Hoewel de klachtencommissie begrijpt dat de fouillering op het lichaam een ingrijpend karakter heeft, stelt zij vast dat de Basiswet toelaat om tijdens een wettige naaktfouillering de gedetineerde te verplichten om zich uit te kleden tot op het lichaam en de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen. De klachtencommissie ziet geen reden waarom deze fouillering een tergend karakter zou hebben gehad. Uit het verweer van de directie blijkt duidelijk dat er nooit gefilmd wordt tijdens een fouillering op het lichaam. Ook heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat er een inbreuk heeft plaatsgevonden op de door Collectieve Brief nr. 141 van 30 januari 2017, Bijlage 3 geregelde de wijze waarop de fouillering dient te worden uitgevoerd.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0240