KC06/26-0071
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM
- Met betrekking tot de fouillering
De klachtencommissie is van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Het gevangenispersoneel heeft immers vastgesteld dat klager bij het binnenkomen van de wandeling iets zwart aan het opvouwen was en dit in zijn voorbroek heeft gestoken. Klager stelt zelf in zijn klacht dat hij alles in zijn pakket had afgegeven, waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat klager niet ontkent een pakket te hebben bijgehad. Ook blijkt uit de motivering dat klager veel moeite om zich aan de controle te onttrekken. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
- Met betrekking tot de uitvoering:
De directie stelt in haar verweer dat klachten over de uitvoering van een fouillering op het lichaam onontvankelijk zouden zijn gelet op het arrest van de Raad van State. De klachtencommissie merkt echter op dat dit arrest ondertussen achterhaald is, gelet op het nieuwe arrest van het Grondwettelijk Hof van 2 april 2026. Het Grondwettelijk Hof heeft in dit arrest duidelijk geoordeeld dat artikel 148, eerste lid Basiswet zo kan worden geïnterpreteerd dat de gedetineerde eveneens beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. Enkel in die interpretatie is artikel 148, eerste lid Basiswet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De klacht over de uitvoering van deze fouillering op het lichaam is bijgevolg eveneens ontvankelijk.
Klager stelt dat hij zijn achterwerk en geslachtsdelen moest laten zien. Hoewel de klachtencommissie begrijpt dat de fouillering op het lichaam een ingrijpend karakter heeft, stelt zij vast dat de Basiswet toelaat om tijdens een wettige naaktfouillering de gedetineerde te verplichten om zich uit te kleden tot op het lichaam en de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen. De klachtencommissie ziet geen reden waarom deze fouillering een tergend karakter zou hebben gehad. Ook heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat er een inbreuk heeft plaatsgevonden op de door Collectieve Brief nr. 141 van 30 januari 2017, Bijlage 3 geregelde de wijze waarop de fouillering dient te worden uitgevoerd.
- Met betrekking tot de fouillering
De klachtencommissie is van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Het gevangenispersoneel heeft immers vastgesteld dat klager bij het binnenkomen van de wandeling iets zwart aan het opvouwen was en dit in zijn voorbroek heeft gestoken. Klager stelt zelf in zijn klacht dat hij alles in zijn pakket had afgegeven, waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat klager niet ontkent een pakket te hebben bijgehad. Ook blijkt uit de motivering dat klager veel moeite om zich aan de controle te onttrekken. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.
- Met betrekking tot de uitvoering:
De directie stelt in haar verweer dat klachten over de uitvoering van een fouillering op het lichaam onontvankelijk zouden zijn gelet op het arrest van de Raad van State. De klachtencommissie merkt echter op dat dit arrest ondertussen achterhaald is, gelet op het nieuwe arrest van het Grondwettelijk Hof van 2 april 2026. Het Grondwettelijk Hof heeft in dit arrest duidelijk geoordeeld dat artikel 148, eerste lid Basiswet zo kan worden geïnterpreteerd dat de gedetineerde eveneens beklag kan doen over de wijze van uitvoering van de beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. Enkel in die interpretatie is artikel 148, eerste lid Basiswet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De klacht over de uitvoering van deze fouillering op het lichaam is bijgevolg eveneens ontvankelijk.
Klager stelt dat hij zijn achterwerk en geslachtsdelen moest laten zien. Hoewel de klachtencommissie begrijpt dat de fouillering op het lichaam een ingrijpend karakter heeft, stelt zij vast dat de Basiswet toelaat om tijdens een wettige naaktfouillering de gedetineerde te verplichten om zich uit te kleden tot op het lichaam en de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen. De klachtencommissie ziet geen reden waarom deze fouillering een tergend karakter zou hebben gehad. Ook heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat er een inbreuk heeft plaatsgevonden op de door Collectieve Brief nr. 141 van 30 januari 2017, Bijlage 3 geregelde de wijze waarop de fouillering dient te worden uitgevoerd.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0243