Ga verder naar de inhoud

KC06/26-0015

Non fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - PROPORTIONALITEIT

De klachten zijn gericht tegen de beslissing tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna BVM) en de drie verlengingen van de BVM. Uit het verslag van horen blijkt dat klager niet begreep waarom de directie en het personeel een verontrustende gedragswijziging bij hem hadden opgemerkt. Dezelfde onderwerpen die volgens de directie kenmerkend zijn aan een psychotische episode van klager kwamen aan bod tijdens het hoormoment en komen ook terug in de klachten van klager. De klachtencommissie meent dat de beschreven gedragingen van klager gekwalificeerd kunnen worden als ernstige aanwijzingen dat er een gevaar was voor de orde en de veiligheid. De klachtencommissie besluit dat de directie terecht heeft beslist om een BVM op te leggen. Vanaf 16.01.2026 tot en met 22.01.2026, zeven dagen, mocht klager in zijn cel geen scherpe voorwerpen hebben, mocht hij niet deelnemen aan gemeenschappelijke activiteiten, moest hij verblijven in een beveiligde cel tenzij de directeur van oordeel was dat klager in een gewone cel kon verblijven. De klachtencommissie is van oordeel dat deze veiligheidsmaatregelen gerechtvaardigd waren en niet disproportioneel.

Op 21.01.2026 werd klager opnieuw gehoord door de directie. Uit de motivering van de beslissing blijkt volgens de klachtencommissie afdoende dat de eerste verlenging van de BVM gerechtvaardigd was aangezien de toestand van klager nog niet was verbeterd, laat staan gestabiliseerd. De lawaaihinder en bedreigingen duiden op een gevaar voor de orde en de veiligheid. Dezelfde veiligheidsmaatregelen werden verlengd voor zeven dagen, van 23.01.2026 tot en met 29.01.2026.
Op 28.01.2026 werd klager opnieuw gehoord door de directie. Hij lijkt zelf rustiger te zijn geworden, hetgeen positief is, maar de psychotische episode bleek nog niet voorbij aangezien hij de verantwoordelijkheid voor de geluidshinder en de BVM nog steeds bij zijn buurman legde terwijl hijzelf degene was die storend gedrag stelde. De klachtencommissie meent dat de beslissing van de directie om de BVM een tweede maal te verlengen een verstandige en correcte keuze was. Dezelfde veiligheidsmaatregelen werden verlengd voor zeven dagen, van 30.01.2026 tot en met 05.02.2026.
Op 04.02.2026 werd klager een laatste keer gehoord door de directie. De veiligheidsmaatregelen werden conform de Basiswet aangepast aan de ernst van de bedreiging waardoor de verlenging van de BVM een proportionele en redelijke beslissing was. Vanaf 06.02.2026 tot en met 12.02.2026 mocht klager nog steeds geen scherpe voorwerpen hebben maar mocht hij wel al deelnemen aan de gemeenschappelijke ochtendwandeling en mocht hij bezoek ontvangen van de zakenman in kwestie. Voor het overige diende hij in zijn cel te verblijven en was een verblijf in de beveiligde cel toegelaten indien dat noodzakelijk zou zijn.

Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de beslissingen van de directie tot het opleggen van een BVM en het driemaal verlengen van de BVM, wettig waren en niet onredelijk of onbillijk. De klachten zijn ongegrond.