KC06/26-0014
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - UITVOERING - VOORLOPIGE MAATREGEL - UITVOERING - BEVEILIGDE CEL - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERBODEN VOORWERPEN
-Naaktfouille:
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de naaktfouille voldoende duidelijk blijkt welke individuele aanwijzingen ten grondslag liggen aan het vermoeden dat klager in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Uit het RAD blijkt immers dat klager iets wegstak achteraan zijn broek.
Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat een onderzoek aan de kledij niet kon volstaan om de betrokken voorwerpen of substanties daadwerkelijk op te sporen. Een kledijfouille beperkt zich immers tot een oppervlakkige controle van de kledij en laat niet toe om bijvoorbeeld de ruimte tussen de broek en de onderbroek, laat staan de onderbroek zelf, te onderzoeken.
De klacht is om deze reden niet gegrond.
-Uitvoering naaktfouille:
De klachtencommissie merkt op dat klager de mogelijkheid had om de vermeende onregelmatigheden bij de uitvoering van de naaktfouille via een rapport directeur te melden, zoals de directeur ook tijdens de tuchtzitting heeft aangegeven. Indien klager hiervan melding had gemaakt, had de directie de nodige stappen kunnen ondernemen om de aangevoerde feiten nader te onderzoeken, onder meer door de betrokken personeelsleden te bevragen en na te gaan of er bijkomende elementen voorhanden waren die de verklaringen van klager konden ondersteunen dan wel weerleggen. Nu klager geen melding heeft gemaakt van de vermeende onregelmatigheden, ontbreken dergelijke bijkomende elementen in het dossier.
De klachtencommissie beschikt bijgevolg enkel over een woord-tegen-woordsituatie. Bij gebrek aan objectieve aanwijzingen of andere ondersteunende elementen, ziet de klachtencommissie geen reden om aan te nemen dat de uitvoering van de naaktfouille niet correct is verlopen of dat de voorgeschreven procedure niet werd nageleefd.
De klacht is ongegrond.
-Voorlopige maatregel:
Door zijn medewerking aan de naaktfouille te weigeren en daarbij zijn hand nogmaals in de richting van zijn intieme delen te bewegen, verhinderde klager bewust dat kon worden nagegaan of hij gevaarlijke of verboden voorwerpen bij zich droeg. De mogelijke aanwezigheid van dergelijke voorwerpen houdt rechtstreeks een risico in voor de fysieke integriteit van personen binnen de gevangenis en raakt aldus aan de interne veiligheid. Gelet op het bewuste handelen van klager en het concrete veiligheidsrisico dat hierdoor niet kon worden uitgesloten, kon de directeur dit redelijkerwijze als een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid beschouwen.
De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was.
De plaatsing in de beveiligde cel ook niet onredelijk of onbillijk, aangezien deze voorlopige maatregel, gelet op de aanhoudende weigering van klager om zijn medewerking te verlenen en het daaruit voortvloeiende concrete veiligheidsrisico, noodzakelijk kon worden geacht om de interne veiligheid te waarborgen. De voorlopige maatregel werd dus niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing.
De klacht is omwille van bovenstaande redenen ongegrond.
-Uitvoering voorlopige maatregel:
De klachtencommissie merkt op dat klager de mogelijkheid had om de vermeende onregelmatigheden bij de uitvoering van de voorlopige maatregel via een rapport directeur te melden. Indien klager hiervan melding had gemaakt, had de directie de nodige stappen kunnen ondernemen om de aangevoerde feiten nader te onderzoeken, onder meer door de betrokken personeelsleden te bevragen en na te gaan of er bijkomende elementen voorhanden waren die de verklaringen van klager konden ondersteunen dan wel weerleggen. Nu klager geen melding heeft gemaakt van de vermeende onregelmatigheden, ontbreken dergelijke bijkomende elementen in het dossier.
De klachtencommissie beschikt bijgevolg enkel over een woord-tegen-woordsituatie. Bij gebrek aan objectieve aanwijzingen of andere ondersteunende elementen, ziet de klachtencommissie geen reden om aan te nemen dat de uitvoering van de voorlopige maatregel niet correct is verlopen.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.
-Tucht:
De klachtencommissie stelt in de eerste plaats vast dat klager de tuchtinbreuk van de eerste categorie niet betwist. Hij heeft bij aanvang het bezit van de joint toegegeven. Klager betwist ook niet dat hij op een bepaald moment zijn medewerking aan de naaktfouille heeft gestaakt. Dat is het geen gevolg geven aan de bevelen van het personeel. De klachtencommissie besluit dan ook dat de directeur de tuchtinbreuken bewezen kon verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 15 dagen ATV. Bij samenloop van tuchtrechtelijke inbreuken worden deze bestraft als één inbreuk, waarbij de categorie van de zwaarste inbreuk van toepassing is. Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie 30 dagen ATV. De duurtijd van de voorlopige maatregel werd ook in rekening gebracht. De tuchtsanctie was dus wettig.
De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtregister van klager.
De klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing is ongegrond.
-Naaktfouille:
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de naaktfouille voldoende duidelijk blijkt welke individuele aanwijzingen ten grondslag liggen aan het vermoeden dat klager in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Uit het RAD blijkt immers dat klager iets wegstak achteraan zijn broek.
Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat een onderzoek aan de kledij niet kon volstaan om de betrokken voorwerpen of substanties daadwerkelijk op te sporen. Een kledijfouille beperkt zich immers tot een oppervlakkige controle van de kledij en laat niet toe om bijvoorbeeld de ruimte tussen de broek en de onderbroek, laat staan de onderbroek zelf, te onderzoeken.
De klacht is om deze reden niet gegrond.
-Uitvoering naaktfouille:
De klachtencommissie merkt op dat klager de mogelijkheid had om de vermeende onregelmatigheden bij de uitvoering van de naaktfouille via een rapport directeur te melden, zoals de directeur ook tijdens de tuchtzitting heeft aangegeven. Indien klager hiervan melding had gemaakt, had de directie de nodige stappen kunnen ondernemen om de aangevoerde feiten nader te onderzoeken, onder meer door de betrokken personeelsleden te bevragen en na te gaan of er bijkomende elementen voorhanden waren die de verklaringen van klager konden ondersteunen dan wel weerleggen. Nu klager geen melding heeft gemaakt van de vermeende onregelmatigheden, ontbreken dergelijke bijkomende elementen in het dossier.
De klachtencommissie beschikt bijgevolg enkel over een woord-tegen-woordsituatie. Bij gebrek aan objectieve aanwijzingen of andere ondersteunende elementen, ziet de klachtencommissie geen reden om aan te nemen dat de uitvoering van de naaktfouille niet correct is verlopen of dat de voorgeschreven procedure niet werd nageleefd.
De klacht is ongegrond.
-Voorlopige maatregel:
Door zijn medewerking aan de naaktfouille te weigeren en daarbij zijn hand nogmaals in de richting van zijn intieme delen te bewegen, verhinderde klager bewust dat kon worden nagegaan of hij gevaarlijke of verboden voorwerpen bij zich droeg. De mogelijke aanwezigheid van dergelijke voorwerpen houdt rechtstreeks een risico in voor de fysieke integriteit van personen binnen de gevangenis en raakt aldus aan de interne veiligheid. Gelet op het bewuste handelen van klager en het concrete veiligheidsrisico dat hierdoor niet kon worden uitgesloten, kon de directeur dit redelijkerwijze als een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid beschouwen.
De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was.
De plaatsing in de beveiligde cel ook niet onredelijk of onbillijk, aangezien deze voorlopige maatregel, gelet op de aanhoudende weigering van klager om zijn medewerking te verlenen en het daaruit voortvloeiende concrete veiligheidsrisico, noodzakelijk kon worden geacht om de interne veiligheid te waarborgen. De voorlopige maatregel werd dus niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing.
De klacht is omwille van bovenstaande redenen ongegrond.
-Uitvoering voorlopige maatregel:
De klachtencommissie merkt op dat klager de mogelijkheid had om de vermeende onregelmatigheden bij de uitvoering van de voorlopige maatregel via een rapport directeur te melden. Indien klager hiervan melding had gemaakt, had de directie de nodige stappen kunnen ondernemen om de aangevoerde feiten nader te onderzoeken, onder meer door de betrokken personeelsleden te bevragen en na te gaan of er bijkomende elementen voorhanden waren die de verklaringen van klager konden ondersteunen dan wel weerleggen. Nu klager geen melding heeft gemaakt van de vermeende onregelmatigheden, ontbreken dergelijke bijkomende elementen in het dossier.
De klachtencommissie beschikt bijgevolg enkel over een woord-tegen-woordsituatie. Bij gebrek aan objectieve aanwijzingen of andere ondersteunende elementen, ziet de klachtencommissie geen reden om aan te nemen dat de uitvoering van de voorlopige maatregel niet correct is verlopen.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.
-Tucht:
De klachtencommissie stelt in de eerste plaats vast dat klager de tuchtinbreuk van de eerste categorie niet betwist. Hij heeft bij aanvang het bezit van de joint toegegeven. Klager betwist ook niet dat hij op een bepaald moment zijn medewerking aan de naaktfouille heeft gestaakt. Dat is het geen gevolg geven aan de bevelen van het personeel. De klachtencommissie besluit dan ook dat de directeur de tuchtinbreuken bewezen kon verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 15 dagen ATV. Bij samenloop van tuchtrechtelijke inbreuken worden deze bestraft als één inbreuk, waarbij de categorie van de zwaarste inbreuk van toepassing is. Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie 30 dagen ATV. De duurtijd van de voorlopige maatregel werd ook in rekening gebracht. De tuchtsanctie was dus wettig.
De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het tuchtregister van klager.
De klacht met betrekking tot de tuchtbeslissing is ongegrond.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0278