KC06/25-0341
Fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Autre décision directeur
VERZUIM - MEDISCH
Artikel 88 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde recht heeft op een gezondheidszorg, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving. Deze bepaling is nog niet in werking getreden. Immers, overeenkomstig artikel 180 van de Basiswet, bepaalt de Koning de datum, waarop die wet of afzonderlijke bepalingen ervan in werking treden. Op artikel 98 na, zijn de bepalingen van hoofdstuk VII ‘Gezondheidszorg’ van titel V ‘Levensvoorwaarden in de gevangenis’, zo ook artikel 88, nog niet in werking getreden. Dit neemt niet weg dat gedetineerden recht hebben op gezondheidszorg. Het is een recht dat wordt bevestigd door artikel 96 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen dat bepaalt: ‘De zieke gedetineerden ontvangen van de geneesheer van de inrichting de verzorging die hun toestand vereist.’.
De geneeskundige verzorging binnen de inrichting, weliswaar nog summier en onvolledig geregeld in de artikelen 96 tot en met 104 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, maakt deel uit van de levensvoorwaarden in de gevangenis, zoals de plaats van hoofdstuk VII van titel V van de Basiswet aantoont. Dat dit hoofdstuk nog niet in werking is getreden, doet geen afbreuk aan de beoordeling dat de beschikbaarheid van gezondheidszorg deel uitmaakt van de levensvoorwaarden van gedetineerden, waarvoor de penitentiaire administratie verantwoordelijk is.
Artikel 5 van de Basiswet bepaalt immers dat ‘de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer (wordt) gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen (…)’. En artikel 2, 11° van de Basiswet duidt de ‘penitentiaire administratie’ aan als het openbaar bestuur dat belast is met de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en van vrijheidsbenemende maatregelen. Op de penitentiaire administratie rust bijgevolg de verantwoordelijkheid voor een rechtsconforme en menswaardige strafuitvoering.
Op het inrichtingshoofd rust dan ook de verplichting de nodige maatregelen te nemen opdat, wanneer de medische dienst dit nodig acht, een gedetineerde de nodige geneeskundige verzorging krijgt, hetzij in de inrichting zelf, hetzij wanneer dit niet mogelijk is, buiten de inrichting.
Het rechtsmiddel van beklag kan overeenkomstig artikel 148 van de Basiswet niet alleen worden ingesteld tegen elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde werd genomen, maar ook tegen het verzuim of de weigering een beslissing te nemen binnen een wettelijk termijn, of bij het ontbreken ervan, redelijke termijn. Een gedetineerde kan dan ook beklag doen tegen het verzuim of de weigering van de directie om een beslissing te nemen wanneer op de directie de verplichting rust tot het nemen van een beslissing. Een dergelijke verplichting kan bestaan wanneer, rekening houdend met alle omstandigheden, de directie een beslissing had moeten nemen om de rechten van de gedetineerde en een menswaardige detentie te waarborgen.
Klager heeft, naar het oordeel van de klachtencommissie, voldoende aangetoond dat er een verzuim van de directie is om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn over de organisatie van het aanbevolen slaaponderzoek. De klacht werd daarnaast ook tijdig en op de vereiste wijze ingediend.
De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie wijst op vaststaande rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in haar rechtspraak over artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing), waarin wordt bepaald dat iedere lidstaat ervoor dient te zorgen: ‘(…) dat iedere gedetineerde opgesloten wordt in omstandigheden die compatibel zijn met het respect voor de menselijke waardigheid, (…) en dat, rekening houdend met de praktische vereisten van een opsluiting, zijn gezondheid en welzijn op een adequate manier gewaarborgd zijn, in het bijzonder door hem de vereiste medische zorgen aan te bieden (…)’ (eigen vertaling).
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat klager een valabele medische reden heeft om een slaaponderzoek te laten uitvoeren. In deze omstandigheden mocht worden verwacht dat de directie hierover binnen een redelijke termijn een beslissing zou nemen. De klachtencommissie stelt evenwel vast dat een dergelijke beslissing tot op heden niet werd genomen.
De klacht is gegrond.
De klachtencommissie kent geen tegemoetkoming toe. Hoewel de klacht gegrond is, is er op dit punt geen sprake is van een vernietigde beslissing, waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden in de zin van artikel 158, § 4 van de Basiswet. De directie dient binnen een termijn van één maand een gemotiveerde beslissing te nemen met betrekking tot het laten uitvoeren van het aanbevolen slaaponderzoek.
Artikel 88 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde recht heeft op een gezondheidszorg, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving. Deze bepaling is nog niet in werking getreden. Immers, overeenkomstig artikel 180 van de Basiswet, bepaalt de Koning de datum, waarop die wet of afzonderlijke bepalingen ervan in werking treden. Op artikel 98 na, zijn de bepalingen van hoofdstuk VII ‘Gezondheidszorg’ van titel V ‘Levensvoorwaarden in de gevangenis’, zo ook artikel 88, nog niet in werking getreden. Dit neemt niet weg dat gedetineerden recht hebben op gezondheidszorg. Het is een recht dat wordt bevestigd door artikel 96 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen dat bepaalt: ‘De zieke gedetineerden ontvangen van de geneesheer van de inrichting de verzorging die hun toestand vereist.’.
De geneeskundige verzorging binnen de inrichting, weliswaar nog summier en onvolledig geregeld in de artikelen 96 tot en met 104 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, maakt deel uit van de levensvoorwaarden in de gevangenis, zoals de plaats van hoofdstuk VII van titel V van de Basiswet aantoont. Dat dit hoofdstuk nog niet in werking is getreden, doet geen afbreuk aan de beoordeling dat de beschikbaarheid van gezondheidszorg deel uitmaakt van de levensvoorwaarden van gedetineerden, waarvoor de penitentiaire administratie verantwoordelijk is.
Artikel 5 van de Basiswet bepaalt immers dat ‘de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer (wordt) gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen (…)’. En artikel 2, 11° van de Basiswet duidt de ‘penitentiaire administratie’ aan als het openbaar bestuur dat belast is met de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en van vrijheidsbenemende maatregelen. Op de penitentiaire administratie rust bijgevolg de verantwoordelijkheid voor een rechtsconforme en menswaardige strafuitvoering.
Op het inrichtingshoofd rust dan ook de verplichting de nodige maatregelen te nemen opdat, wanneer de medische dienst dit nodig acht, een gedetineerde de nodige geneeskundige verzorging krijgt, hetzij in de inrichting zelf, hetzij wanneer dit niet mogelijk is, buiten de inrichting.
Het rechtsmiddel van beklag kan overeenkomstig artikel 148 van de Basiswet niet alleen worden ingesteld tegen elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde werd genomen, maar ook tegen het verzuim of de weigering een beslissing te nemen binnen een wettelijk termijn, of bij het ontbreken ervan, redelijke termijn. Een gedetineerde kan dan ook beklag doen tegen het verzuim of de weigering van de directie om een beslissing te nemen wanneer op de directie de verplichting rust tot het nemen van een beslissing. Een dergelijke verplichting kan bestaan wanneer, rekening houdend met alle omstandigheden, de directie een beslissing had moeten nemen om de rechten van de gedetineerde en een menswaardige detentie te waarborgen.
Klager heeft, naar het oordeel van de klachtencommissie, voldoende aangetoond dat er een verzuim van de directie is om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn over de organisatie van het aanbevolen slaaponderzoek. De klacht werd daarnaast ook tijdig en op de vereiste wijze ingediend.
De klacht is ontvankelijk.
De klachtencommissie wijst op vaststaande rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in haar rechtspraak over artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing), waarin wordt bepaald dat iedere lidstaat ervoor dient te zorgen: ‘(…) dat iedere gedetineerde opgesloten wordt in omstandigheden die compatibel zijn met het respect voor de menselijke waardigheid, (…) en dat, rekening houdend met de praktische vereisten van een opsluiting, zijn gezondheid en welzijn op een adequate manier gewaarborgd zijn, in het bijzonder door hem de vereiste medische zorgen aan te bieden (…)’ (eigen vertaling).
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat klager een valabele medische reden heeft om een slaaponderzoek te laten uitvoeren. In deze omstandigheden mocht worden verwacht dat de directie hierover binnen een redelijke termijn een beslissing zou nemen. De klachtencommissie stelt evenwel vast dat een dergelijke beslissing tot op heden niet werd genomen.
De klacht is gegrond.
De klachtencommissie kent geen tegemoetkoming toe. Hoewel de klacht gegrond is, is er op dit punt geen sprake is van een vernietigde beslissing, waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden in de zin van artikel 158, § 4 van de Basiswet. De directie dient binnen een termijn van één maand een gemotiveerde beslissing te nemen met betrekking tot het laten uitvoeren van het aanbevolen slaaponderzoek.