KC06/25-0223
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING
Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat klager bij het lossen van de wandeling, nadat hij zag dat een andere gedetineerde meegenomen werd voor een fouillering op het lichaam, aanstalten maakte om terug te keren naar zijn cel. Klager betwist in zijn klacht niet dat hij terug wou keren naar zijn cel (hij stelt zelfs dat hij dit deed alvorens men hem meenam voor een fouillering), doch stelt dat dit was om zijn badge te halen. Bovendien zou hij hiertoe aangemaand zijn door de chef die zich bij de metaaldetectieportiek bevond. De directie haalt in haar verweer aan dat zij dit verhaal niet geloofwaardig acht, aangezien de verschillende beambten bij het lossen van de wandeling zeer kort op elkaar staan en het dus onwaarschijnlijk is dat de ene beambte klager zou opdragen zijn badge te gaan halen, terwijl de andere goedkeuring vraagt voor een fouillering op het lichaam. De klachtencommissie oordeelt dat het verhaal van klager ongeloofwaardig is. Ze acht het gedrag van klager, dat door de omstandigheden inderdaad als verdacht beschouwd kon worden, een voldoende geconcretiseerde individuele aanwijzing. In de bestreden beslissing wordt daarnaast gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om verstopte voorwerpen te detecteren. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat klager bij het lossen van de wandeling, nadat hij zag dat een andere gedetineerde meegenomen werd voor een fouillering op het lichaam, aanstalten maakte om terug te keren naar zijn cel. Klager betwist in zijn klacht niet dat hij terug wou keren naar zijn cel (hij stelt zelfs dat hij dit deed alvorens men hem meenam voor een fouillering), doch stelt dat dit was om zijn badge te halen. Bovendien zou hij hiertoe aangemaand zijn door de chef die zich bij de metaaldetectieportiek bevond. De directie haalt in haar verweer aan dat zij dit verhaal niet geloofwaardig acht, aangezien de verschillende beambten bij het lossen van de wandeling zeer kort op elkaar staan en het dus onwaarschijnlijk is dat de ene beambte klager zou opdragen zijn badge te gaan halen, terwijl de andere goedkeuring vraagt voor een fouillering op het lichaam. De klachtencommissie oordeelt dat het verhaal van klager ongeloofwaardig is. Ze acht het gedrag van klager, dat door de omstandigheden inderdaad als verdacht beschouwd kon worden, een voldoende geconcretiseerde individuele aanwijzing. In de bestreden beslissing wordt daarnaast gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om verstopte voorwerpen te detecteren. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.