KC06/25-0201
Non fondée
Fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING
De klachten zijn gericht tegen een naaktfouille, een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing.
Over de fouillering op het lichaam: de klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing concrete elementen bevat waarom de directeur het vermoeden had dat klager in het bezit was van verboden voorwerpen of substanties. In de beslissing is bovendien gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan hebben om deze voorwerpen of substanties te vinden. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam van 26.06.2025 voldeed aan de voorwaarden uit de Basiswet. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over de voorlopige maatregel: de klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel door een personeelslid en niet door een directielid ‘afwezig tijdens de handtekening’ zelf ondertekend werd.
Uit een beslissing van de beroepscommissie blijkt echter dat een dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien. Volgens de beroepscommissie zou DG EPI haar instructies, dus ook bovenstaande bepaling van de Collectieve Brief, daardoor moeten aanpassen. Door in een dergelijke delegatie te voorzien, gaat de Collectieve Brief nr. 124 verder dan hetgeen op heden in de Basiswet wordt bepaald. Zodoende is het enkel de directeur, zonder uitzondering, die een voorlopige maatregel in het kader van een tuchtprocedure kan opleggen.
Uit het document van de voorlopige maatregel blijkt dat het niet de directie was die de beslissing ondertekende. Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of in deze zaak überhaupt sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde, blijkt uit de beschikbare stukken dat de voorlopige maatregel niet werd bevolen door de directie, maar door een ander personeelslid. Klager werd bovendien in een ‘strafcel’ opgesloten.
De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond.
Over de tuchtbeslissing: artikel 144, §4 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft zich tijdens de tuchtprocedure door een advocaat te laten bijstaan. Het recht van de gedetineerde om zich door een advocaat te laten bijstaan, is een essentieel aspect van het recht van verdediging. Rekening houdend met het belang van het recht van verdediging en van de bijstand door een advocaat moet de directie, wanneer een gedetineerde om de bijstand van een advocaat vraagt, de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de gedetineerde daadwerkelijk van deze bijstand door een advocaat te voorzien (vgl. RvS 7 december 2011, nr. 216.722; RvS 1 april 2016, nr. 234.299).
Hoewel klager de bijstand van een advocaat vroeg, werd hij tijdens de tuchthoorzitting niet door een advocaat bijgestaan. De raadsman van klager had verzocht om een uitstel van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Het blijkt evenmin dat aan de klager werd gevraagd of hij de bijstand van een andere advocaat wenste wanneer de opgegeven advocaat niet op de zitting (van zondag) aanwezig kon zijn. In die omstandigheden werd klager geplaatst voor de keuze tussen het laten doorgaan van de hoorzitting zonder advocaat, of het laten doorgaan van de oorspronkelijke hoorzitting, wat in elk geval een voortzetting van zijn verblijf in de strafcel meebracht.
Of de klager correct werd geïnformeerd over de eventuele mogelijkheid dat hij ook bij een vervroegde hoorzitting op de bijstand van een advocaat kon rekenen, dan wel over de mogelijkheid om de tuchtrechtelijke hoorzitting daags nadien te laten doorgaan zoals verzocht door zijn raadsman, maar zonder dat daardoor de voorlopige maatregel zou worden gehandhaafd voor een duur van langer dan 72 uren, blijkt niet uit het dossier.
Klager kreeg dan ook buiten zijn toedoen geen bijstand van zijn advocaat, of van een andere door hem aanvaarde advocaat, hoewel hij die bijstand had gevraagd. Het recht van verdediging van de klager werd hierdoor geschonden. De schending van het recht van verdediging van klager tast de geldigheid van de tuchtbeslissing aan. Deze vaststelling volstaat om te besluiten tot vernietiging van de tuchtbeslissing. De tuchtbeslissing van 30.06.2025 is niet wettig en moet vernietigd worden. De klacht is bijgevolg gegrond.
De klachten zijn gericht tegen een naaktfouille, een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing.
Over de fouillering op het lichaam: de klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing concrete elementen bevat waarom de directeur het vermoeden had dat klager in het bezit was van verboden voorwerpen of substanties. In de beslissing is bovendien gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan hebben om deze voorwerpen of substanties te vinden. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam van 26.06.2025 voldeed aan de voorwaarden uit de Basiswet. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over de voorlopige maatregel: de klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel door een personeelslid en niet door een directielid ‘afwezig tijdens de handtekening’ zelf ondertekend werd.
Uit een beslissing van de beroepscommissie blijkt echter dat een dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien. Volgens de beroepscommissie zou DG EPI haar instructies, dus ook bovenstaande bepaling van de Collectieve Brief, daardoor moeten aanpassen. Door in een dergelijke delegatie te voorzien, gaat de Collectieve Brief nr. 124 verder dan hetgeen op heden in de Basiswet wordt bepaald. Zodoende is het enkel de directeur, zonder uitzondering, die een voorlopige maatregel in het kader van een tuchtprocedure kan opleggen.
Uit het document van de voorlopige maatregel blijkt dat het niet de directie was die de beslissing ondertekende. Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of in deze zaak überhaupt sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde, blijkt uit de beschikbare stukken dat de voorlopige maatregel niet werd bevolen door de directie, maar door een ander personeelslid. Klager werd bovendien in een ‘strafcel’ opgesloten.
De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond.
Over de tuchtbeslissing: artikel 144, §4 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft zich tijdens de tuchtprocedure door een advocaat te laten bijstaan. Het recht van de gedetineerde om zich door een advocaat te laten bijstaan, is een essentieel aspect van het recht van verdediging. Rekening houdend met het belang van het recht van verdediging en van de bijstand door een advocaat moet de directie, wanneer een gedetineerde om de bijstand van een advocaat vraagt, de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de gedetineerde daadwerkelijk van deze bijstand door een advocaat te voorzien (vgl. RvS 7 december 2011, nr. 216.722; RvS 1 april 2016, nr. 234.299).
Hoewel klager de bijstand van een advocaat vroeg, werd hij tijdens de tuchthoorzitting niet door een advocaat bijgestaan. De raadsman van klager had verzocht om een uitstel van de tuchtrechtelijke hoorzitting. Het blijkt evenmin dat aan de klager werd gevraagd of hij de bijstand van een andere advocaat wenste wanneer de opgegeven advocaat niet op de zitting (van zondag) aanwezig kon zijn. In die omstandigheden werd klager geplaatst voor de keuze tussen het laten doorgaan van de hoorzitting zonder advocaat, of het laten doorgaan van de oorspronkelijke hoorzitting, wat in elk geval een voortzetting van zijn verblijf in de strafcel meebracht.
Of de klager correct werd geïnformeerd over de eventuele mogelijkheid dat hij ook bij een vervroegde hoorzitting op de bijstand van een advocaat kon rekenen, dan wel over de mogelijkheid om de tuchtrechtelijke hoorzitting daags nadien te laten doorgaan zoals verzocht door zijn raadsman, maar zonder dat daardoor de voorlopige maatregel zou worden gehandhaafd voor een duur van langer dan 72 uren, blijkt niet uit het dossier.
Klager kreeg dan ook buiten zijn toedoen geen bijstand van zijn advocaat, of van een andere door hem aanvaarde advocaat, hoewel hij die bijstand had gevraagd. Het recht van verdediging van de klager werd hierdoor geschonden. De schending van het recht van verdediging van klager tast de geldigheid van de tuchtbeslissing aan. Deze vaststelling volstaat om te besluiten tot vernietiging van de tuchtbeslissing. De tuchtbeslissing van 30.06.2025 is niet wettig en moet vernietigd worden. De klacht is bijgevolg gegrond.