Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0130

Fondée Compensation KC - Dendermonde Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - RECHTEN VAN VERDEDIGING

Klager kreeg de voorlopige maatregelen van verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en uitsluiting van deelname aan bepaalde activiteiten (namelijk zijn werk als diender). Volgens de klachtencommissie is de beslissing op meerdere punten gebrekkig.

1) de opdeling in artikel 145 Basiswet wordt niet gerespecteerd. Afhankelijk van de gekozen rechtsgrond op basis waarvan de voorlopige maatregel wordt opgelegd (lees: eerste of tweede lid van artikel 145 Basiswet), kan de directie bepaalde maatregelen nemen. Hier werden de voorlopige maatregelen volgens de aankruising op het formulier opgelegd op grond van “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” (artikel 145, eerste lid Basiswet). De schriftelijke motivering werd op het formulier van de beslissing echter vormelijk geplaatst onder de grond van “gevaar voor de orde of de veiligheid” (artikel 145, tweede lid Basiswet).

2) de vermeende feiten zijn géén ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Los van de hierboven beschreven onnauwkeurigheid diende er voor het opleggen van de voorlopige maatregel van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte in elk geval een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” aangetoond te worden. Uit het RAD blijkt enkel dat klager “iets” op de waterdispenser zou gelegd hebben. De directie heeft hieruit dan geconcludeerd dat hij dit deed om dit “iets” door te geven aan een medegedetineerde (hetgeen in de navolgende tuchtbeslissing bestempeld werd als een inbreuk op het huishoudelijk reglement, namelijk het doorgeven van een voorwerp). De klachtencommissie stelt vast dat het onduidelijk blijft wat het vermeende voorwerp was. Het RAD stelt immers dat het vanuit het centrum niet mogelijk was om te zien wat het object was. In die zin acht de klachtencommissie de gegevens uit het RAD dan ook onvoldoende om te spreken van een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”, waardoor de voorlopige maatregel op onvoldoende gemotiveerde wijze genomen werd.

3) het is onduidelijk door wie de voorlopige maatregel werd opgelegd. De Basiswet voorziet dat enkel de directeur een beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel kan nemen. In het voorliggend dossier werd de beslissing ondertekend door een personeelslid, met enkel de vermelding “i.o.”. De klachtencommissie kan uit de voorlopige maatregel niet afleiden door welke directeur de beslissing is genomen of door wie de beslissing in diens naam werd getekend.

De klacht is gegrond.

Klager beklaagt zich over een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 10 april 2025. Hierin wordt enkel beschreven dat klager “iets” uit zijn zak haalt en bovenop de waterdispenser legt. Volgens de klachtencommissie is de beslissing op meerdere punten gebrekkig. De directie stelt in de motivering van de tuchtbeslissing in forse bewoordingen “Hij heeft zijn functie misbruikt om medicatie/verboden substantie te verruilen/verhandelen. Hij gaf tijdens het uitvoeren van zijn job een onbekende substantie door via de waterdispenser. Deze werd door een andere persoon weggenomen.” Deze conclusie trekken op basis van het (eerder summiere) RAD gaat volgens de klachtencommissie de grenzen van de redelijkheid te buiten omwille van de volgende redenen. De klachtencommissie stelt vast dat het onduidelijk blijft wat het vermeende voorwerp was. Het RAD stelt dat het vanuit het centrum niet mogelijk was om te zien wat het object was. De directie kan de bewering van “medicatie/verboden substantie” dus niet hardmaken, reden ook waarom ze opteert voor de inbreuk van artikel 130, 2°, het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (lees: het doorgeven van een voorwerp). Het is volgens de klachtencommissie dan ook onzorgvuldig dat ze deze expliciete bewoordingen alsnog gebruikt in de motivering. Het RAD stelt enkel dat de medegedetineerde zich aan de waterdispenser bevond. Er wordt nergens beschreven dat deze persoon vervolgens ook het voorwerp dat klager op de waterdispenser gelegd zou hebben, wegneemt. Verder in de motivering zegt de directie daarover: “Echter uit andere verklaringen is er duidelijk bewijs dat betrokkene de substantie bij de waterdispenser heeft achtergelaten.”. Het wordt daarbij niet gespecificeerd over welke “andere verklaringen” het gaat (van een medegedetineerde dan wel personeelslid). In elk geval heeft de directie zich op meer informatie dan enkel de gegevens uit het RAD gebaseerd, maar werden deze verklaringen blijkens het verslag van de tuchtzitting niet aan tegenspraak onderworpen. Volgens de klachtencommissie is er dan ook sprake van een schending van het recht op tegenspraak. De klacht is gegrond.