Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0119

Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG

Klager werd, na hierover te zijn gehoord, bij ordemaatregel ontslagen uit zijn functie als ‘diender wasserij’.

In het voorliggend dossier motiveerde de directie waarom klager volgens haar niet langer beantwoordt aan de voor de arbeidspost gestelde vereisten. Op basis van de motivering van de beslissing in kwestie wordt duidelijk waarom de directie klager niet langer als ‘geschikt’ voor de functie beschouwt. De directie verwijst in haar motivering naar een recente tuchtrechtelijke veroordelingen van klager voor het bezit van drugs, alsook naar een recent opgemaakt meldingsverslag van een beambte over het gedrag van klager en uitingen die hij heeft gedaan tijdens zijn werk.

Hoewel er in de ordemaatregel expliciet verwezen wordt naar de tuchtinbreuk, argumenteert de directie dat het ontslag van klager niet het rechtstreekse gevolg is hiervan en dat er ook nog andere feiten aan het licht zijn gekomen. Er wordt in de motivering expliciet verwezen naar ongewenst gedrag tijdens het werk, waarvan melding werd gemaakt in een meldingsverslag.

De klachtencommissie vindt het vreemd dat klager opeens een aantal weken na de tuchtbeslissing afgezet wordt van zijn werk. Volgens de directie was hij op het moment van de ordemaatregel al 17 dagen niet meer aan het werk.

De beslissing wordt bovendien grotendeels gemotiveerd op basis van een meldingsverslag dat werd opgesteld op het moment dat klager al bijna 2 weken op ATV zat. Hierin wordt beschreven hoe men gehoord heeft dat klager regelmatig over drugs praat tijdens zijn werk en dat er vermoedens zouden zijn dat hij dealt op het werk. Het is echter niet zo duidelijk wanneer de beschreven feiten zich precies hebben afgespeeld en of klager hierover al eerder aangesproken is geweest. De klachtencommissie merkt eveneens op dat de voorvallen zoals beschreven in meldingsverslag niet zijn opgenomen in de observatiefiche.

Hoewel de klachtencommissie begrip heeft voor het gegeven dat dergelijke observaties en vaststellingen een gebrek aan vertrouwen in de hand werken, kan de klachtencommissie zich niet van de indruk ontdoen dat dit meldingsverslag louter opgesteld werd met als doel om een ontslag voor het einde van de tuchtsanctie te kunnen verantwoorden.

Dit wordt onder andere afgeleid uit het feit dat er op de observatiefiche van klager geen eerdere opmerking of vermoeden staat vermeld over de feiten zoals beschreven in het meldingsverslag. De beambten leken er pas na klager zijn tuchtrechtelijke veroordeling zeker van te zijn dat hun ‘vermoedens’ klopten. Desondanks is er nergens een verband aangetoond tussen het werk van klager en de gepleegde tuchtinbreuk met betrekking tot het bezit van drugs. De ordemaatregel schept evenmin duidelijkheid over de vermoedens dat klager zich tijdens zijn tewerkstelling ook zou inlaten met drugs.

De klachtencommissie acht de beslissing tot het nemen van de ordemaatregel aldus onbillijk. De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en draagt aan de directie op om klager bovenaan de werklijst te plaatsen.