KC06/25-0037
Fondée
Irrecevable
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Pas de décision du directeur
TUCHT - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - MEDISCH - DETENTIEPLAN
De directie meent dat de klacht niet-ontvankelijk is, omdat klager nalaat te vermelden tegen welke tuchtbeslissing hij klacht indient. De klachtencommissie heeft het tuchtdossier van klager opgevraagd. Uit het dossier van klager blijkt dat hij op 29/1/2025 een tuchtsanctie opgelegd kreeg, voor een RAD van 25/1/2025. Klager heeft klacht ingediend op 27/1/2025. Voor zover de klachtencommissie kan afleiden, werd er op 27/1/2025 t.a.v. klager nog geen tuchtbeslissing genomen. Er werd enkel een RAD opgesteld t.a.v. hem.
Aangezien de tuchtbeslissing op het moment van indienen van de klacht onbestaand was, kan de klachtencommissie niet anders dan de klacht niet-ontvankelijk verklaren.
Het voorschrijven van medicatie is een beslissing van de medische dienst en niet van de directie.
Uit de zitting blijkt dat klager weliswaar melding heeft gedaan bij de directie en de directie dit op haar beurt heeft overgemaakt aan de medische dienst. Aldus is er geen sprake van een verzuim of weigering in hoofde van de directie. De klacht is om deze redenen niet-ontvankelijk.
Desondanks de verantwoordelijkheid voor de opstart van een individueel detentieplan bij de directie ligt, heeft klager na drie maanden nog steeds geen detentieplan hoewel hij hier vragende partij voor is. Gelet op deze weigering van de directie om een beslissing te nemen hoewel op haar een wettelijke verplichting rust tot het nemen van een beslissing die betrekking heeft op de interne rechtspositie van klager, is de klacht ontvankelijk.
Het verzaken aan deze wettelijke bevoegdheid is bijgevolg een schending van een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift. Hoewel de Basiswet bepaalt dat het detentieplan wordt opgesteld rekening houdende met de mogelijkheden van de gedetineerde en van de penitentiaire administratie, is het ook onredelijk en onbillijk dat de directie nog niet is gestart met het detentieplan van klager terwijl DG EPI al in 2021 een communicatie heeft rondgestuurd, samen met een informatiedocument van tien pagina’s inclusief sjablonen voor het onderzoek naar de persoon en de levenssituatie en de vorm van het detentieplan.
Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de klacht gegrond is. De klachtencommissie draagt de directeur, in toepassing van artikel 158, §3, 1° van de Basiswet, op om de noodzakelijke initiatieven te nemen zodat gestart kan worden met de opmaak van een individueel detentieplan van klager, binnen een termijn van twee maanden na de betekening van deze uitspraak.
De directie meent dat de klacht niet-ontvankelijk is, omdat klager nalaat te vermelden tegen welke tuchtbeslissing hij klacht indient. De klachtencommissie heeft het tuchtdossier van klager opgevraagd. Uit het dossier van klager blijkt dat hij op 29/1/2025 een tuchtsanctie opgelegd kreeg, voor een RAD van 25/1/2025. Klager heeft klacht ingediend op 27/1/2025. Voor zover de klachtencommissie kan afleiden, werd er op 27/1/2025 t.a.v. klager nog geen tuchtbeslissing genomen. Er werd enkel een RAD opgesteld t.a.v. hem.
Aangezien de tuchtbeslissing op het moment van indienen van de klacht onbestaand was, kan de klachtencommissie niet anders dan de klacht niet-ontvankelijk verklaren.
Het voorschrijven van medicatie is een beslissing van de medische dienst en niet van de directie.
Uit de zitting blijkt dat klager weliswaar melding heeft gedaan bij de directie en de directie dit op haar beurt heeft overgemaakt aan de medische dienst. Aldus is er geen sprake van een verzuim of weigering in hoofde van de directie. De klacht is om deze redenen niet-ontvankelijk.
Desondanks de verantwoordelijkheid voor de opstart van een individueel detentieplan bij de directie ligt, heeft klager na drie maanden nog steeds geen detentieplan hoewel hij hier vragende partij voor is. Gelet op deze weigering van de directie om een beslissing te nemen hoewel op haar een wettelijke verplichting rust tot het nemen van een beslissing die betrekking heeft op de interne rechtspositie van klager, is de klacht ontvankelijk.
Het verzaken aan deze wettelijke bevoegdheid is bijgevolg een schending van een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift. Hoewel de Basiswet bepaalt dat het detentieplan wordt opgesteld rekening houdende met de mogelijkheden van de gedetineerde en van de penitentiaire administratie, is het ook onredelijk en onbillijk dat de directie nog niet is gestart met het detentieplan van klager terwijl DG EPI al in 2021 een communicatie heeft rondgestuurd, samen met een informatiedocument van tien pagina’s inclusief sjablonen voor het onderzoek naar de persoon en de levenssituatie en de vorm van het detentieplan.
Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de klacht gegrond is. De klachtencommissie draagt de directeur, in toepassing van artikel 158, §3, 1° van de Basiswet, op om de noodzakelijke initiatieven te nemen zodat gestart kan worden met de opmaak van een individueel detentieplan van klager, binnen een termijn van twee maanden na de betekening van deze uitspraak.