Ga verder naar de inhoud

KC06/24-0018

Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - TEGEMOETKOMING

De klacht betreft de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis.

De aangevochten beslissing betreft in deze zaak een tuchtbeslissing. De voorwaarden waaronder de directeur zo’n beslissingen kan nemen, zijn wettelijk vastgelegd. Klager kreeg in voorliggende zaak een voorwaardelijke sanctie die bestaat uit 7 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan: ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’
Er werden drugs gevonden in het bezit van klager.

Uiteindelijk werd de tuchtsanctie na één dag stopgezet gelet op de bekentenis van de celgenoot van klager.
Het vermoeden van onschuld is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In dezelfde zin bepaalt artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet dat “de gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht”. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van het ten laste gelegde tuchtvergrijp doch ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) kan worden toegerekend. Het belang van dat laatste voorschrift vindt nog steun in de parlementaire voorbereiding bij de basiswet waarin - naast onder meer het legaliteitsbeginsel, het non bis in idem-beginsel, het recht van verdediging, - het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen behoren te garanderen.

De klachtencommissie stelt vast dat de directeur onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk op basis van de verboden substantie individueel aan klager kon worden toegerekend. Bij gebrek aan een individuele toerekening, legt de directie aan alle op het moment van de celcontrole aanwezige celgenoten een sanctie op voor éénzelfde feit, onder dezelfde kwalificatie. De beslissing van de directie schendt het vermoeden van onschuld en is derhalve niet genomen met inachtneming van de wettelijke bepalingen.
Om deze redenen is de klacht gegrond.

Hoewel de tuchtsanctie na één dag werd opgeheven, kon klager gedurende één dag geen gebruik maken van de gemeenschappelijke activiteiten. Om deze reden kent zij aan klager een tegemoetkoming toe bestaande uit één fitnessmoment.