KC05/26-0223
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Mesure de sécurité particulière
BVM - MOTIVERING - BEVEILIGDE CEL
Klager werd gehoord in het kader van een tweede verlenging van de eerdere BVM, voor een duur van 7 dagen. Wegens aanhoudende onrust en om verdere escalatie te vermijden, werd klager overgebracht naar de veiligheidscel. Er werden verscheidene specifieke maatregelen opgelegd: het ontnemen of onthouden van voorwerpen, uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten, observatie overdag en tijdens de nacht (met maximale eerbiediging van de nachtrust), verplicht verblijf in de hem/haar toegewezen verblijfsruimte, onderbrenging in een beveiligde cel.
Vooreerst stelt de klachtencommissie vast dat de directie nog niet kon oordelen of het risico vier dagen later (bij ingang van de BVM) inderdaad nog zou bestaan. Dit betreft volgens de klachtencommissie een voorbarig oordeel over de noodzaak van het verlengen van de BVM, die volgens de Basiswet immers slechts mogen worden opgelegd voor de strikt noodzakelijke duur. De klachtencommissie is er op basis hiervan niet van overtuigd dat er op een redelijk tijdstip (drie dagen vóór het aflopen van de eerdere BVM) een doorgedreven herevaluatie van klagers situatie is gebeurd.
De klachtencommissie stelt daarnaast vast dat de directie in feite alle mogelijke veiligheidsmaatregelen oplegt, zonder enige nuance en zonder grondig te overwegen of deze nog noodzakelijk zijn. De directie laat na te motiveren waarom zij een bepaalde veiligheidsmaatregel noodzakelijk acht. De klachtencommissie wijst er op dat het niet de bedoeling kan zijn om een zware maatregel met mogelijkheid tot mildering op te leggen om de directie tijdens die periode een vrijgeleide te geven om aan klager bepaalde rechten te ontzeggen.
De klacht is ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing tot de tweede verlenging van de ten aanzien van klager opgelegde BVM en draagt de directie op om deze onmiddellijk stop te zetten.
Klager werd gehoord in het kader van een tweede verlenging van de eerdere BVM, voor een duur van 7 dagen. Wegens aanhoudende onrust en om verdere escalatie te vermijden, werd klager overgebracht naar de veiligheidscel. Er werden verscheidene specifieke maatregelen opgelegd: het ontnemen of onthouden van voorwerpen, uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten, observatie overdag en tijdens de nacht (met maximale eerbiediging van de nachtrust), verplicht verblijf in de hem/haar toegewezen verblijfsruimte, onderbrenging in een beveiligde cel.
Vooreerst stelt de klachtencommissie vast dat de directie nog niet kon oordelen of het risico vier dagen later (bij ingang van de BVM) inderdaad nog zou bestaan. Dit betreft volgens de klachtencommissie een voorbarig oordeel over de noodzaak van het verlengen van de BVM, die volgens de Basiswet immers slechts mogen worden opgelegd voor de strikt noodzakelijke duur. De klachtencommissie is er op basis hiervan niet van overtuigd dat er op een redelijk tijdstip (drie dagen vóór het aflopen van de eerdere BVM) een doorgedreven herevaluatie van klagers situatie is gebeurd.
De klachtencommissie stelt daarnaast vast dat de directie in feite alle mogelijke veiligheidsmaatregelen oplegt, zonder enige nuance en zonder grondig te overwegen of deze nog noodzakelijk zijn. De directie laat na te motiveren waarom zij een bepaalde veiligheidsmaatregel noodzakelijk acht. De klachtencommissie wijst er op dat het niet de bedoeling kan zijn om een zware maatregel met mogelijkheid tot mildering op te leggen om de directie tijdens die periode een vrijgeleide te geven om aan klager bepaalde rechten te ontzeggen.
De klacht is ontvankelijk en gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing tot de tweede verlenging van de ten aanzien van klager opgelegde BVM en draagt de directie op om deze onmiddellijk stop te zetten.