Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0312

Fondée KC - Brugge Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - MOTIVERING - VERBODEN SUBSTANTIES

De klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.

In het dossier zijn twee RAD’s voorhanden, op basis waarvan een tuchtprocedure ten aanzien van klager werd ingesteld. Het eerste RAD dateert van 17 september 2024 (feiten van 17u00). Het tweede RAD dateert eveneens van 17 september 2024 (feiten van 17u30).
Klager werd onmiddellijk onder voorlopige maatregel geplaatst (beslissing waartegen hij geen klacht indiende). Hij werd gehoord op de tuchtzitting van 19 september 2024, met bijstand van een advocaat. Als ten laste gelegde feiten werden in herinnering gebracht “inslikken verdachte substantie na fouille”. In de bestreden tuchtbeslissing werden één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel. Klager werd gesanctioneerd met drie weken ATV.

De klachtencommissie vindt de tuchtbeslissing manifest onvoldoende gemotiveerd. In de motivering van de tuchtbeslissing wordt louter vermeld dat klager niets wilde zeggen tijdens de tuchtzitting, hij niet meewerkte en wel aangaf dat hij iets had ingeslikt. Dat een gedetineerde zich
beroept op zijn zwijgrecht ontslaat de directie als tuchtoverheid niet van haar verplichting om te motiveren waarom zij, op basis van alle beschikbare informatie, de gedetineerde schuldig acht aan de hem ten laste gelegde inbreuk(en). Uit het gegeven dat klager niets wilde zeggen op detuchtzitting kan op zich niet zijn schuld worden afgeleid voor de ten laste gelegde tuchtfeiten. De summiere motivering staat in schril contrast met het uitgebreide verweer van de directie, waarin vier elementen worden vermeld die op cumulatieve wijze het bewijs zouden leveren van de schuld van klager voor het bezit van een door of krachtens de wet verboden substantie. De klachtencommissie kan enkel maar vaststellen dat deze vier elementen niet in de tuchtbeslissing zelf werden opgenomen. Een motivering die achteraf wordt gegeven in een verweer in het kader van een formele klachtenprocedure kan geen rechtzetting vormen voor een onvoldoende gemotiveerde tuchtbeslissing.

De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing van 19 september 2024 en draagt de directie op om deze volledig te verwijderen uit het tuchtregister van klager.