KC05/24-0304
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - RECHT OP TEGENSPRAAK - CAMERABEELDEN
De eerste klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.
Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
De directie heeft een voorlopige maatregel tot een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd ten aanzien van klager, wegens het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. De klachtencommissie wijst erop dat de voorlopige maatregel bijzonder summier – en onvoldoende – werd gemotiveerd. Zo wordt vereist dat klager zou hebben aangezet tot een collectieve actie of een dergelijke actie zou hebben gevoerd, waardoor de veiligheid ernstig in gevaar was gebracht. Vooreerst wordt in de voorlopige maatregel niet gemotiveerd waarom er sprake was van een ‘collectieve actie’. In de beslissing wordt louter geschreven dat klager weigerde om binnen te komen van de gemeenschappelijke wandeling. Wat het collectieve aspect van deze handeling is, wordt niet gemotiveerd in de bestreden beslissing. Daarnaast wordt evenmin gemotiveerd waarom klager door deze handeling de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar had gebracht. De eerste klacht is om deze reden gegrond.
Over de tweede klacht (de tuchtsanctie):
In het dossier is een RAD van 17 augustus 2024 (feiten van 17u30) voorhanden, op basis waarvan een tuchtprocedure ten aanzien van klager werd gevoerd. Klager werd onder voorlopige maatregel geplaatst (zie hierboven; de eerste klacht; 3.1). Klager werd gehoord op de tuchtzitting van 20 augustus 2024, met bijstand van een advocaat. In de bestreden tuchtbeslissing werd één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde het aanzetten tot of voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. Klager werd gesanctioneerd met twee weken ATV.
De klachtencommissie is van oordeel dat er sprake is van een schending van het recht op tegenspraak. Zij stelt vast dat de directie zich voor het bewezen verklaren van de feiten heeft gebaseerd op “de hoorzittingen met alle betrokkenen en bevraging bij het personeel”. De informatie
die hieruit is voortgekomen, blijkt een van de voornaamste bewijselementen te zijn waarop zij zich heeft gesteund bij het bewezen verklaren van de ten aanzien van klager ten laste gelegde feiten. De klachtencommissie heeft er echter geen precies zicht op welke informatie is voortgekomen uit de hoorzittingen met andere gedetineerden en uit deze bevraging bij het personeel. Of deze bevraging bij het personeel voorafgaand of na de tuchtzitting is gebeurd, blijkt niet uit het tuchtdossier. Uit het tuchtdossier blijkt evenmin dat klager en zijn advocaat met deze informatie werden geconfronteerd en zij hierover tegenspraak konden voeren of hierover hun verweermiddelen doen gelden.
Daarnaast heeft klager op de tuchtzitting gevraagd om de camerabeelden te bekijken. In het verslag van de tuchtzitting werd louter genoteerd dat de directie dit zou bevragen. Of zij uiteindelijk de camerabeelden heeft bekeken en of de tuchtbeslissing – ook – hierop is gebaseerd, blijkt niet uit het tuchtdossier. Indien de camerabeelden werden bekeken, ziet de klachtencommissie niet in waarom dit niet op de tuchtzitting, samen met klager en zijn advocaat is gebeurd, zodat hierover tegenspraak kon worden gevoerd. Indien de beelden niet werden bekeken, merkt de klachtencommissie op dat in de tuchtbeslissing niet werd gemotiveerd waarom de directie het uiteindelijk dan toch niet nodig achtte om deze beelden te bekijken. De tweede klacht is om deze reden gegrond.
De eerste klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.
Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
De directie heeft een voorlopige maatregel tot een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd ten aanzien van klager, wegens het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. De klachtencommissie wijst erop dat de voorlopige maatregel bijzonder summier – en onvoldoende – werd gemotiveerd. Zo wordt vereist dat klager zou hebben aangezet tot een collectieve actie of een dergelijke actie zou hebben gevoerd, waardoor de veiligheid ernstig in gevaar was gebracht. Vooreerst wordt in de voorlopige maatregel niet gemotiveerd waarom er sprake was van een ‘collectieve actie’. In de beslissing wordt louter geschreven dat klager weigerde om binnen te komen van de gemeenschappelijke wandeling. Wat het collectieve aspect van deze handeling is, wordt niet gemotiveerd in de bestreden beslissing. Daarnaast wordt evenmin gemotiveerd waarom klager door deze handeling de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar had gebracht. De eerste klacht is om deze reden gegrond.
Over de tweede klacht (de tuchtsanctie):
In het dossier is een RAD van 17 augustus 2024 (feiten van 17u30) voorhanden, op basis waarvan een tuchtprocedure ten aanzien van klager werd gevoerd. Klager werd onder voorlopige maatregel geplaatst (zie hierboven; de eerste klacht; 3.1). Klager werd gehoord op de tuchtzitting van 20 augustus 2024, met bijstand van een advocaat. In de bestreden tuchtbeslissing werd één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde het aanzetten tot of voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. Klager werd gesanctioneerd met twee weken ATV.
De klachtencommissie is van oordeel dat er sprake is van een schending van het recht op tegenspraak. Zij stelt vast dat de directie zich voor het bewezen verklaren van de feiten heeft gebaseerd op “de hoorzittingen met alle betrokkenen en bevraging bij het personeel”. De informatie
die hieruit is voortgekomen, blijkt een van de voornaamste bewijselementen te zijn waarop zij zich heeft gesteund bij het bewezen verklaren van de ten aanzien van klager ten laste gelegde feiten. De klachtencommissie heeft er echter geen precies zicht op welke informatie is voortgekomen uit de hoorzittingen met andere gedetineerden en uit deze bevraging bij het personeel. Of deze bevraging bij het personeel voorafgaand of na de tuchtzitting is gebeurd, blijkt niet uit het tuchtdossier. Uit het tuchtdossier blijkt evenmin dat klager en zijn advocaat met deze informatie werden geconfronteerd en zij hierover tegenspraak konden voeren of hierover hun verweermiddelen doen gelden.
Daarnaast heeft klager op de tuchtzitting gevraagd om de camerabeelden te bekijken. In het verslag van de tuchtzitting werd louter genoteerd dat de directie dit zou bevragen. Of zij uiteindelijk de camerabeelden heeft bekeken en of de tuchtbeslissing – ook – hierop is gebaseerd, blijkt niet uit het tuchtdossier. Indien de camerabeelden werden bekeken, ziet de klachtencommissie niet in waarom dit niet op de tuchtzitting, samen met klager en zijn advocaat is gebeurd, zodat hierover tegenspraak kon worden gevoerd. Indien de beelden niet werden bekeken, merkt de klachtencommissie op dat in de tuchtbeslissing niet werd gemotiveerd waarom de directie het uiteindelijk dan toch niet nodig achtte om deze beelden te bekijken. De tweede klacht is om deze reden gegrond.