KC05/24-0220
Non fondée
Irrecevable
KC - Brugge
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - ARBEID - MEDISCH - DEPONERING VOORWERPEN
De eerste klacht gaat over het verzuim van de directie van de gevangenis om klaagsters arbeidsongeval correct af te handelen.
De tweede klacht gaat over het feit dat klaagster geen hulp krijgt bij het poetsen van haar cel in de gevangenis.
De derde klacht gaat over gedeponeerde goederen van klaagster in de gevangenis.
Over de eerste klacht (verzuim in het kader van het arbeidsongeval):
De klachtencommissie stelt vast dat de directie met klaagster een gesprek heeft gehad, nadat zij het dossier over het arbeidsongeval teruggestuurd had gekregen. Zij heeft klaagster op dit gesprek geïnformeerd welke documenten niet in orde waren alsook dat klaagster nogmaals naar de arts moest gaan. Klaagster heeft op de zitting van de klachtencommissie bevestigd dat zij sinds dit gesprek niet meer naar de arts is geweest. De klachtencommissie is er zodoende niet van overtuigd dat er sprake is van een verzuim of weigering van de directie om een beslissing te nemen binnen een wettelijke of redelijke termijn. De directie heeft aangegeven welke stappen klaagster eerst zelf nog moet nemen – daarin eventueel en desgewenst bijgestaan door haar advocaat – om het dossier over het arbeidsongeval in orde te krijgen.
De eerste klacht is niet ontvankelijk.
Over de tweede klacht (geen hulp bij het poetsen van de cel):
Klaagster diende klacht in op 5 juli 2024 en stelde dat zij geen hulp meer kreeg bij het poetsen van haar cel. De directie voegde bij haar verweer een medisch attest van 14 augustus 2024 waarin wordt geattesteerd dat klaagster gedurende zes weken geen cel kan poetsen. Op 17 augustus 2024 droeg de directie op om dit in Sidis te noteren. De directie stelde in haar verweer dat klaagster op het moment van het indienen van haar klacht in de mogelijkheid was om haar cel te poetsen, gelet op het ontbreken van een andersluidend medisch attest.
De klachtencommissie acht het niet aannemelijk gemaakt dat er, met de betrekking tot de periode waarover klaagster zich beklaagt, sprake is van een beklagwaardige beslissing (bv. het niet toestaan van hulp voor het poetsen) of van een verzuim of weigering om een beslissing te nemen (bv. het verzuimen om een beslissing te nemen over een vraag om hulp te krijgen bij het poetsen). De tweede klacht is niet ontvankelijk.
Over de derde klacht (deponering goederen):
Klaagster diende klacht in omdat er goederen van haar in bewaring zouden genomen zijn in de bagage van een medegedetineerde, met toelating van een beambte. Zij krijgt deze goederen niet terug. Klaagster kan zich niet meer herinneren welke beambte hiervoor toestemming zou hebben gegeven. De directie heeft aangevoerd dat de bedoelde goederen nergens stonden ingeschreven en klaagster hiervan geen aankoopbewijzen had. Dat klaagster de goederen niet terugkreeg en deze gedeponeerd werden op naam van de persoon bij wie ze werden aangetroffen, acht de klachtencommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De derde klacht is niet gegrond.
De eerste klacht gaat over het verzuim van de directie van de gevangenis om klaagsters arbeidsongeval correct af te handelen.
De tweede klacht gaat over het feit dat klaagster geen hulp krijgt bij het poetsen van haar cel in de gevangenis.
De derde klacht gaat over gedeponeerde goederen van klaagster in de gevangenis.
Over de eerste klacht (verzuim in het kader van het arbeidsongeval):
De klachtencommissie stelt vast dat de directie met klaagster een gesprek heeft gehad, nadat zij het dossier over het arbeidsongeval teruggestuurd had gekregen. Zij heeft klaagster op dit gesprek geïnformeerd welke documenten niet in orde waren alsook dat klaagster nogmaals naar de arts moest gaan. Klaagster heeft op de zitting van de klachtencommissie bevestigd dat zij sinds dit gesprek niet meer naar de arts is geweest. De klachtencommissie is er zodoende niet van overtuigd dat er sprake is van een verzuim of weigering van de directie om een beslissing te nemen binnen een wettelijke of redelijke termijn. De directie heeft aangegeven welke stappen klaagster eerst zelf nog moet nemen – daarin eventueel en desgewenst bijgestaan door haar advocaat – om het dossier over het arbeidsongeval in orde te krijgen.
De eerste klacht is niet ontvankelijk.
Over de tweede klacht (geen hulp bij het poetsen van de cel):
Klaagster diende klacht in op 5 juli 2024 en stelde dat zij geen hulp meer kreeg bij het poetsen van haar cel. De directie voegde bij haar verweer een medisch attest van 14 augustus 2024 waarin wordt geattesteerd dat klaagster gedurende zes weken geen cel kan poetsen. Op 17 augustus 2024 droeg de directie op om dit in Sidis te noteren. De directie stelde in haar verweer dat klaagster op het moment van het indienen van haar klacht in de mogelijkheid was om haar cel te poetsen, gelet op het ontbreken van een andersluidend medisch attest.
De klachtencommissie acht het niet aannemelijk gemaakt dat er, met de betrekking tot de periode waarover klaagster zich beklaagt, sprake is van een beklagwaardige beslissing (bv. het niet toestaan van hulp voor het poetsen) of van een verzuim of weigering om een beslissing te nemen (bv. het verzuimen om een beslissing te nemen over een vraag om hulp te krijgen bij het poetsen). De tweede klacht is niet ontvankelijk.
Over de derde klacht (deponering goederen):
Klaagster diende klacht in omdat er goederen van haar in bewaring zouden genomen zijn in de bagage van een medegedetineerde, met toelating van een beambte. Zij krijgt deze goederen niet terug. Klaagster kan zich niet meer herinneren welke beambte hiervoor toestemming zou hebben gegeven. De directie heeft aangevoerd dat de bedoelde goederen nergens stonden ingeschreven en klaagster hiervan geen aankoopbewijzen had. Dat klaagster de goederen niet terugkreeg en deze gedeponeerd werden op naam van de persoon bij wie ze werden aangetroffen, acht de klachtencommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De derde klacht is niet gegrond.