Ga verder naar de inhoud

KC05/23-0304

Non fondée Fondée KC - Brugge Commission des plaintes Autre décision directeur Mesure de sécurité particulière Mesure d'ordre
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL – MOTIVERING – BEZOEK – ORDEMAATREGEL

Klager heeft drie klachten ingediend.

De eerste klacht gaat over een bijzondere veiligheidsmaatregel. In de veiligheidsmaatregel wordt verwezen naar de uitzondering op de motiveringsverplichting in artikel 8 Basiswet. De klachtencommissie wijst erop dat klager niet volledig in het ongewisse werd gelaten over welke redenen aanleiding hebben gegeven tot de bijzondere veiligheidsmaatregelen. Zo wordt in de beslissing verwezen naar de ‘extreme ontvluchtingsdreiging’ die uitgaat van klager en naar ‘extreme methodes waarvan gewag gemaakt wordt om dit doel te bereiken’. Zodoende wordt het gevaar voor de externe en interne veiligheid enigszins geconcretiseerd. De specifieke informatie waarop de directie zich baseerde, werd opgenomen in het bijzondere register. De klachtencommissie heeft kennis genomen van deze informatie via de inzage door één van haar leden in dit register. De klachtencommissie stelt vast dat er wel degelijk bijkomende en voldoende concrete informatie voorhanden was die het opleggen van de bijzondere veiligheidsmaatregel kon rechtvaardigen. Dat deze informatie niet met klager werd gedeeld, is eigen aan het gebruik van het in artikel 8 Basiswet bedoelde register, wat in dit dossier begrijpelijk is. Deze eerste klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.

De tweede klacht gaat over de beslissing om geen binnenhuisbezoek onder de vorm van glasbezoek toe te staan tussen klager en zijn echtgenote. Het binnenhuisbezoek is geen recht noch een in de Basiswet voorziene vorm van bezoek, maar wel een gunst. Dat de directie als stelregel hanteert om binnenhuisbezoek tijdens een ATV of een bijzondere veiligheidsmaatregel niet te organiseren onder de vorm van een glasbezoek omwille van praktische redenen en zij dit ook zo heeft toegepast in het geval van klager is – gelet op de ruime marges die de directie in dit kader heeft – niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Deze tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.

De derde klacht gaat over een ordemaatregel waarbij klager bovenop de bijzondere veiligheidsmaatregelen (zie eerste klacht) aan drie bijkomende regime-inperkingen werd onderworpen. De klachtencommissie stelt vast dat de drie maatregelen bijkomende regime-inperkingen betreft die allemaal kaderen binnen – en exact dezelfde bewoordingen hebben als bij – de in de Basiswet voorziene mogelijkheden bij de plaatsing van een gedetineerde in een individueel bijzonder veiligheidsregime. Via de combinatie van verschillende maatregelen werd klager aan een regime onderworpen dat de facto identiek is als ware hij in een individueel bijzonder veiligheidsregime geplaatst. Klager heeft hierbij echter niet de wettelijke waarborgen genoten die gepaard gaan met een procedure tot plaatsing in een individueel bijzondere veiligheidsregime, zoals bijvoorbeeld de bijstand van een advocaat. Deze derde klacht is ontvankelijk en gegrond.