KC05/23-0285
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - UITVOERING - DWANG - VOORLOPIGE MAATREGEL - BEVEILIGDE CEL - MOTIVERING - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES
1. De klacht over de (uitvoering van de) beslissing tot fouillering van klager is ontvankelijk en gegrond:
Hoewel in het RAD eerst melding wordt gemaakt van een “fouille op de kledij”, blijkt uit de verdere inhoud van het RAD dat het in wezen (ook) om een fouille op het lichaam ging. Een beslissing tot fouillering op het lichaam kan uitsluitend door de directeur ten aanzien van een gedetineerde worden genomen. Hoewel er geen zekerheid over bestaat dat de eerste fouille ook door de directie werd bevolen, gaat de klacht in elk geval over (de uitvoering van) een beslissing die enkel door de directie had kunnen worden genomen. De klacht valt dus onder het toepassingsgebied van het beklagrecht.
De klachtencommissie is eveneens bevoegd voor het beoordelen van de uitvoering van een beslissing tot fouillering op het lichaam, aangezien dit feitelijk handelen betreft dat onmiskenbaar in verbinding staat met een dergelijke beslissing. De klacht is ontvankelijk.
In voorliggende zaak ontbreekt een schriftelijke neerslag van de individuele beslissing tot fouillering op het lichaam. De klachtencommissie kan hierdoor niet nagaan of de beslissing tot fouillering op het lichaam door de directeur genomen werden, noch wat de motieven waren, noch of deze beslissing aan klager werd betekend. Hierdoor is de beslissingen tot fouillering op het lichaam op zich onwettig.
Volgens klager werd hij tijdens de fouille door de beambten bij de nek gegrepen en in een wurggreep gehouden. De directie weerlegt dit niet. Ook in het RAD verklaren de beambten zelf dat ze klager probeerden te “overmeesteren”. De klachtencommissie ziet met andere woorden geen reden om te twijfelen aan de verklaring van klager, die er op wijst dat de fouille buiten de grenzen van een “reglementaire fouille” werd uitgevoerd. Er werd namelijk dwang gebruikt. Bij gebrek aan enig schriftelijk document of mondeling of schriftelijk verweer over dit aspect kan de klachtencommissie niet nagaan welke maatregelen van dwang werden bevolen, welke maatregelen in de praktijk werden toegepast en waarom. De klachtencommissie kan hierdoor geen daadwerkelijke controle uitoefenen op de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de beslissing tot het gebruik van dwang. De klacht is gegrond.
2. De klacht over de (uitvoering van de) beslissing tot plaatsing van klager in een beveiligde cel is ontvankelijk en gegrond:
De directie heeft niet gemotiveerd waarom de interne veiligheid ernstig en opzettelijk werd aangetast en dus ook niet waarom een plaatsing in een beveiligde cel gerechtvaardigd was.
De plaatsing in een beveiligde cel of strafcel vormt op zich staand, zonder bijkomend concreet element van gevaar voor de orde of de veiligheid – geen individuele aanwijzing die een fouillering op het lichaam rechtvaardigt. Het is verboden stelselmatig een fouillering op het lichaam op te leggen bij een plaatsing in een veiligheidscel of strafcel, zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft. De beslissing van de directeur tot plaatsing van klager in een beveiligde cel met de specifieke instructie deze plaatsing gepaard te laten gaan met een fouille op het lichaam, alsook de aparte individuele beslissing tot fouillering op het lichaam, zijn in dit geval dan ook onwettig. Dit maakt dat zowel de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel als de uitvoering ervan onwettig was. De klacht is daarom alleen al volledig gegrond. Bovendien geeft klager aan dat er ook bij de plaatsing in de beveiligde cel dwang en handboeien werden gebruikt. Ook dit wordt door de directie niet ontkend. Het gebruik van handboeien maakt geen deel uit van de standaardprocedure tot plaatsing van een gedetineerde in een beveiligde cel. De klacht is over de volledige lijn gegrond.
3. De klacht over de tuchtbeslissing is ontvankelijk en gegrond:
Uit de motivering van de beslissing blijkt dat het “negeren van bevelen van een beambte” volgens de directie klaarblijkelijk bestond uit het niet afgeven van de substantie die klager uiteindelijk inslikte en het niet meewerken met de procedure tot fouille.
Dat klager zich verzette tegen een onwettige fysieke daad van dwang, kan niet gezien worden als een tuchtinbreuk. Klager kan niet gesanctioneerd worden voor het zich verzetten tegen een bevel of tegen een daad die op zichzelf onwettig was. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing wat dit aspect betreft. De tuchtrechtelijke inbreuk “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel” en alle verwijzingen naar het “niet meewerken met de procedure tot fouille” worden uit de tuchtbeslissing geschrapt.
Er werd vastgesteld dat klager een verdachte substantie inslikte. Klager ontkent dit ook niet. Klager stelt dat het om kruidnagel gaat.
Ook zonder over onomstotelijk bewijs over de aard van een verdachte substantie te beschikken, kan de gevangenisdirecteur overgaan tot het tuchtrechtelijk sanctioneren van een gedetineerde die in het bezit is van deze verdachte substantie, wanneer de gedetineerde zelf niet aannemelijk maakt dat het niet over drugs gaat. De sanctie is dus niet onwettig. De tuchtrechtelijke inbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” blijft weerhouden.
1. De klacht over de (uitvoering van de) beslissing tot fouillering van klager is ontvankelijk en gegrond:
Hoewel in het RAD eerst melding wordt gemaakt van een “fouille op de kledij”, blijkt uit de verdere inhoud van het RAD dat het in wezen (ook) om een fouille op het lichaam ging. Een beslissing tot fouillering op het lichaam kan uitsluitend door de directeur ten aanzien van een gedetineerde worden genomen. Hoewel er geen zekerheid over bestaat dat de eerste fouille ook door de directie werd bevolen, gaat de klacht in elk geval over (de uitvoering van) een beslissing die enkel door de directie had kunnen worden genomen. De klacht valt dus onder het toepassingsgebied van het beklagrecht.
De klachtencommissie is eveneens bevoegd voor het beoordelen van de uitvoering van een beslissing tot fouillering op het lichaam, aangezien dit feitelijk handelen betreft dat onmiskenbaar in verbinding staat met een dergelijke beslissing. De klacht is ontvankelijk.
In voorliggende zaak ontbreekt een schriftelijke neerslag van de individuele beslissing tot fouillering op het lichaam. De klachtencommissie kan hierdoor niet nagaan of de beslissing tot fouillering op het lichaam door de directeur genomen werden, noch wat de motieven waren, noch of deze beslissing aan klager werd betekend. Hierdoor is de beslissingen tot fouillering op het lichaam op zich onwettig.
Volgens klager werd hij tijdens de fouille door de beambten bij de nek gegrepen en in een wurggreep gehouden. De directie weerlegt dit niet. Ook in het RAD verklaren de beambten zelf dat ze klager probeerden te “overmeesteren”. De klachtencommissie ziet met andere woorden geen reden om te twijfelen aan de verklaring van klager, die er op wijst dat de fouille buiten de grenzen van een “reglementaire fouille” werd uitgevoerd. Er werd namelijk dwang gebruikt. Bij gebrek aan enig schriftelijk document of mondeling of schriftelijk verweer over dit aspect kan de klachtencommissie niet nagaan welke maatregelen van dwang werden bevolen, welke maatregelen in de praktijk werden toegepast en waarom. De klachtencommissie kan hierdoor geen daadwerkelijke controle uitoefenen op de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de beslissing tot het gebruik van dwang. De klacht is gegrond.
2. De klacht over de (uitvoering van de) beslissing tot plaatsing van klager in een beveiligde cel is ontvankelijk en gegrond:
De directie heeft niet gemotiveerd waarom de interne veiligheid ernstig en opzettelijk werd aangetast en dus ook niet waarom een plaatsing in een beveiligde cel gerechtvaardigd was.
De plaatsing in een beveiligde cel of strafcel vormt op zich staand, zonder bijkomend concreet element van gevaar voor de orde of de veiligheid – geen individuele aanwijzing die een fouillering op het lichaam rechtvaardigt. Het is verboden stelselmatig een fouillering op het lichaam op te leggen bij een plaatsing in een veiligheidscel of strafcel, zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft. De beslissing van de directeur tot plaatsing van klager in een beveiligde cel met de specifieke instructie deze plaatsing gepaard te laten gaan met een fouille op het lichaam, alsook de aparte individuele beslissing tot fouillering op het lichaam, zijn in dit geval dan ook onwettig. Dit maakt dat zowel de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel als de uitvoering ervan onwettig was. De klacht is daarom alleen al volledig gegrond. Bovendien geeft klager aan dat er ook bij de plaatsing in de beveiligde cel dwang en handboeien werden gebruikt. Ook dit wordt door de directie niet ontkend. Het gebruik van handboeien maakt geen deel uit van de standaardprocedure tot plaatsing van een gedetineerde in een beveiligde cel. De klacht is over de volledige lijn gegrond.
3. De klacht over de tuchtbeslissing is ontvankelijk en gegrond:
Uit de motivering van de beslissing blijkt dat het “negeren van bevelen van een beambte” volgens de directie klaarblijkelijk bestond uit het niet afgeven van de substantie die klager uiteindelijk inslikte en het niet meewerken met de procedure tot fouille.
Dat klager zich verzette tegen een onwettige fysieke daad van dwang, kan niet gezien worden als een tuchtinbreuk. Klager kan niet gesanctioneerd worden voor het zich verzetten tegen een bevel of tegen een daad die op zichzelf onwettig was. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing wat dit aspect betreft. De tuchtrechtelijke inbreuk “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel” en alle verwijzingen naar het “niet meewerken met de procedure tot fouille” worden uit de tuchtbeslissing geschrapt.
Er werd vastgesteld dat klager een verdachte substantie inslikte. Klager ontkent dit ook niet. Klager stelt dat het om kruidnagel gaat.
Ook zonder over onomstotelijk bewijs over de aard van een verdachte substantie te beschikken, kan de gevangenisdirecteur overgaan tot het tuchtrechtelijk sanctioneren van een gedetineerde die in het bezit is van deze verdachte substantie, wanneer de gedetineerde zelf niet aannemelijk maakt dat het niet over drugs gaat. De sanctie is dus niet onwettig. De tuchtrechtelijke inbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” blijft weerhouden.