KC05/23-0002
Non fondée
Fondée
Irrecevable
KC - Brugge
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
TUCHT – GEÏNTERNEERDE – MOTIVERING – GEEN BESLISSING DIRECTEUR – BEVOEGDHEID – VRIJE TIJD
Klager, die het statuut heeft van geïnterneerde, heeft vijf klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtsanctie. De klachtencommissie brengt in herinnering dat een gedetineerde enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur de feiten bewezen acht en de gedetineerde daaraan schuldig acht. Zodoende wordt vereist dat de feiten individueel toerekenbaar zijn. Dit toerekenbaarheidsvraagstuk vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de tuchtinbreuk een geïnterneerde is. De klachtencommissie verwijst hierbij naar een communicatie van het DG EPI van 2 december 2022.
In de tuchtbeslissing van klager wordt niet gemotiveerd waarom de directie hem, gelet op zijn statuut van geïnterneerde, toch verantwoordelijk achtte voor zijn daden. Er blijkt ook uit geen enkel document dat er een advies van een psychiater werd gevraagd. Uit de bestreden beslissing blijkt dus niet waarom volgens de directie de gepleegde feiten aan klager konden worden toegerekend. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.
De tweede klacht gaat over het feit dat een PBA een RAD heeft opgesteld. Dit betreft naar het oordeel van de klachtencommissie geen beslissing van de directie, noch een verzuim of weigering om een beslissing te nemen. Deze tweede klacht is niet ontvankelijk.
De derde klacht is gericht tegen het feit dat klager, tijdens de uitvoering van een tuchtsanctie (zie de eerste klacht) zijn cel niet mocht verlaten voor een medische controle. Naar het oordeel van de klachtencommissie blijkt niet dat er op dit vlak een beslissing van de directie werd genomen, noch dat de directie geweigerd of verzuimd heeft om een beslissing te nemen. Deze derde klacht is niet ontvankelijk.
De vierde klacht gaat over het feit dat klager geen gebruik mocht maken van een springtouw tijdens de individuele wandeling. Deze weigering was minstens een weigering (en dus beslissing) namens de directie ten aanzien van klager, waardoor het een beklagenswaardige beslissing betreft. De weigering was gebaseerd op praktische overwegingen en veiligheidsredenen. Klager geeft in zijn klachtenformulier zelf aan dat het niet goed gaat met zijn mentale gezondheid. Gelet op al deze elementen acht de klachtencommissie het niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk dat de directie, die ten aanzien van klager bijzondere zorg aan de dag dient te leggen, voorzichtigheidshalve, tijdens de uitvoering van de tuchtsanctie, niet heeft toegestaan dat hij gebruik kon maken van een springtouw. Deze vierde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De vijfde klacht is gericht tegen twee PBA’s. Dit betreft naar het oordeel van de klachtencommissie geen beslissing van de directie, noch een verzuim of weigering om een beslissing te nemen. Deze vijfde klacht is niet ontvankelijk.
Klager, die het statuut heeft van geïnterneerde, heeft vijf klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtsanctie. De klachtencommissie brengt in herinnering dat een gedetineerde enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur de feiten bewezen acht en de gedetineerde daaraan schuldig acht. Zodoende wordt vereist dat de feiten individueel toerekenbaar zijn. Dit toerekenbaarheidsvraagstuk vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de tuchtinbreuk een geïnterneerde is. De klachtencommissie verwijst hierbij naar een communicatie van het DG EPI van 2 december 2022.
In de tuchtbeslissing van klager wordt niet gemotiveerd waarom de directie hem, gelet op zijn statuut van geïnterneerde, toch verantwoordelijk achtte voor zijn daden. Er blijkt ook uit geen enkel document dat er een advies van een psychiater werd gevraagd. Uit de bestreden beslissing blijkt dus niet waarom volgens de directie de gepleegde feiten aan klager konden worden toegerekend. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.
De tweede klacht gaat over het feit dat een PBA een RAD heeft opgesteld. Dit betreft naar het oordeel van de klachtencommissie geen beslissing van de directie, noch een verzuim of weigering om een beslissing te nemen. Deze tweede klacht is niet ontvankelijk.
De derde klacht is gericht tegen het feit dat klager, tijdens de uitvoering van een tuchtsanctie (zie de eerste klacht) zijn cel niet mocht verlaten voor een medische controle. Naar het oordeel van de klachtencommissie blijkt niet dat er op dit vlak een beslissing van de directie werd genomen, noch dat de directie geweigerd of verzuimd heeft om een beslissing te nemen. Deze derde klacht is niet ontvankelijk.
De vierde klacht gaat over het feit dat klager geen gebruik mocht maken van een springtouw tijdens de individuele wandeling. Deze weigering was minstens een weigering (en dus beslissing) namens de directie ten aanzien van klager, waardoor het een beklagenswaardige beslissing betreft. De weigering was gebaseerd op praktische overwegingen en veiligheidsredenen. Klager geeft in zijn klachtenformulier zelf aan dat het niet goed gaat met zijn mentale gezondheid. Gelet op al deze elementen acht de klachtencommissie het niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk dat de directie, die ten aanzien van klager bijzondere zorg aan de dag dient te leggen, voorzichtigheidshalve, tijdens de uitvoering van de tuchtsanctie, niet heeft toegestaan dat hij gebruik kon maken van een springtouw. Deze vierde klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De vijfde klacht is gericht tegen twee PBA’s. Dit betreft naar het oordeel van de klachtencommissie geen beslissing van de directie, noch een verzuim of weigering om een beslissing te nemen. Deze vijfde klacht is niet ontvankelijk.