KC05/22-0174
Fondée
Irrecevable
KC - Brugge
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
Pas de décision de la direction
VORM – GEEN BESLISSING DIRECTEUR – BEVOEGDHEID – TERMIJN – TUCHT – MOTIVERING
Klager heeft vier klachten ingediend.
De eerste klacht gaat over de weigering van de directie om klager over te plaatsen naar een andere sectie. De klachtencommissie is van oordeel dat het in het specifieke geval van klager met betrekking tot deze eerste klacht onvoldoende duidelijk is of er überhaupt al een beslissing werd genomen door de directie. Klager reikt onvoldoende aanknopingspunten aan die de klachtencommissie toelaten om te identificeren tegen welke concrete beslissing hij klacht wenst in te dienen. Deze eerste klacht is niet ontvankelijk.
De tweede klacht gaat over het niet opstarten van uitgaansvergunningen. De toekenning van uitgaansvergunningen betreft een bevoegdheid van de minister van Justitie of diens gemachtigde en heeft betrekking op de externe rechtspositie van de gedetineerde. De uitvoering van dergelijke uitgaansvergunningen hangt in principe samen met de specificiteit of de eventuele modaliteiten eigen aan de toegekende uitgaansvergunningen. Een klacht hierover valt buiten het toepassingsgebied van het klachtenrecht. Deze tweede klacht is niet ontvankelijk.
De derde klacht gaat over een (niet nader geïdentificeerde) werkafzetting uit 2021. Een klacht moet in principe worden ingediend uiterlijk de zevende dag na deze waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk indien blijkt, rekening houdend met alle omstandigheden, dat de gedetineerde de klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. Klager heeft echter geen gewag gemaakt van dergelijke omstandigheden. Deze klacht werd dus laattijdig ingediend. De derde klacht is niet ontvankelijk.
De vierde klacht gaat over een tuchtsanctie. De klachtencommissie brengt vooreerst de relevante principes over de motivering van tuchtsancties in herinnering. De klachtencommissie gaat daarna in op de totstandkoming van de tuchtsanctie. Er zijn in het tuchtdossier twee RAD’s voorhanden. De klachtencommissie is van oordeel dat het op basis van de tuchtbeslissing onduidelijk is voor welke feiten klager al dan niet tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd. Bovendien wordt in de tuchtbeslissing zelfs naar zaken verwezen die in geen enkel geval in verband kunnen worden gebracht met de weerhouden tuchtinbreuken. Los van het gegeven dat de directie bepaalde feiten ten aanzien van klager mogelijks als bewezen kon beschouwen en hem daarvoor desgewenst ook tuchtrechtelijk kon sanctioneren, maakt de gebrekkige motivering de bestreden tuchtbeslissing onwettig. Deze vierde klacht is ontvankelijk en gegrond.
Klager heeft vier klachten ingediend.
De eerste klacht gaat over de weigering van de directie om klager over te plaatsen naar een andere sectie. De klachtencommissie is van oordeel dat het in het specifieke geval van klager met betrekking tot deze eerste klacht onvoldoende duidelijk is of er überhaupt al een beslissing werd genomen door de directie. Klager reikt onvoldoende aanknopingspunten aan die de klachtencommissie toelaten om te identificeren tegen welke concrete beslissing hij klacht wenst in te dienen. Deze eerste klacht is niet ontvankelijk.
De tweede klacht gaat over het niet opstarten van uitgaansvergunningen. De toekenning van uitgaansvergunningen betreft een bevoegdheid van de minister van Justitie of diens gemachtigde en heeft betrekking op de externe rechtspositie van de gedetineerde. De uitvoering van dergelijke uitgaansvergunningen hangt in principe samen met de specificiteit of de eventuele modaliteiten eigen aan de toegekende uitgaansvergunningen. Een klacht hierover valt buiten het toepassingsgebied van het klachtenrecht. Deze tweede klacht is niet ontvankelijk.
De derde klacht gaat over een (niet nader geïdentificeerde) werkafzetting uit 2021. Een klacht moet in principe worden ingediend uiterlijk de zevende dag na deze waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk indien blijkt, rekening houdend met alle omstandigheden, dat de gedetineerde de klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. Klager heeft echter geen gewag gemaakt van dergelijke omstandigheden. Deze klacht werd dus laattijdig ingediend. De derde klacht is niet ontvankelijk.
De vierde klacht gaat over een tuchtsanctie. De klachtencommissie brengt vooreerst de relevante principes over de motivering van tuchtsancties in herinnering. De klachtencommissie gaat daarna in op de totstandkoming van de tuchtsanctie. Er zijn in het tuchtdossier twee RAD’s voorhanden. De klachtencommissie is van oordeel dat het op basis van de tuchtbeslissing onduidelijk is voor welke feiten klager al dan niet tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd. Bovendien wordt in de tuchtbeslissing zelfs naar zaken verwezen die in geen enkel geval in verband kunnen worden gebracht met de weerhouden tuchtinbreuken. Los van het gegeven dat de directie bepaalde feiten ten aanzien van klager mogelijks als bewezen kon beschouwen en hem daarvoor desgewenst ook tuchtrechtelijk kon sanctioneren, maakt de gebrekkige motivering de bestreden tuchtbeslissing onwettig. Deze vierde klacht is ontvankelijk en gegrond.