Ga verder naar de inhoud

KC05/22-0165

Non fondée Fondée KC - Brugge Commission des plaintes Autre décision directeur Fouille à corps
CELMUTATIE – FOUILLE LICHAAM

Klager heeft twee klachten ingediend. Beide klachten gaan over zijn overbrenging naar de beveiligde cel.

De eerste klacht gaat over het gebruik van maatregelen van rechtstreekse dwang tijdens deze overbrenging, meer bepaald hand- en voetboeien. De directie betwist de ontvankelijkheid van deze klacht, aangezien deze beslissing zou zijn genomen door de beambte die de plaatsing leidde. De klachtencommissie wijst echter op ministeriële omzendbrief nr. 1810, waarin duidelijk wordt vermeld dat het aanwenden van hand- en voetboeien uitsluitend gebeurt op beslissing van de directeur. De beslissing tot het boeien van klager aan handen en voeten werd dus genomen door de directeur, minstens – in zoverre het verweer van de directie zou worden gevolgd – is er een verzuim om een beslissing te nemen op het moment van de plaatsing van klager in de beveiligde cel en dus op het moment dat de maatregelen van rechtstreekse dwang werden aangewend. De klacht is dus ontvankelijk. De klacht is echter niet gegrond. De beide RAD’s, waarbij ook andere PBA’s mee ondertekenden als getuigen, zijn naar het oordeel van de klachtencommissie voldoende duidelijk. Uit deze RAD’s blijkt dat klager een PBA bedreigde. Het gebruik van handboeien en voetboeien – blijkbaar via een knoop die de gedetineerde zelf kan losmaken – duurde niet langer dan strikt noodzakelijk was, aangezien deze slechts gedurende tien minuten werden aangewend. De klachtencommissie is ook van oordeel dat het aanwenden van deze dwangmiddelen, gegeven de bedreigingen die klager had geuit en de reële vrees dat klager ook daadwerkelijk tot fysiek geweld zou overgaan, redelijk was. Deze eerste klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.

De tweede klacht is gericht tegen het feit dat klager, naar aanleiding van zijn plaatsing in de beveiligde cel, werd uitgekleed en naakt naar de beveiligde cel werd overgebracht. De klachtencommissie stelt vooreerst dat zowel het ogenblik waarop klager werd ontkleed en waarbij desgevallend bepaalde van zijn lichaamsdelen uitwendig werden geschouwd als het daaropvolgende moment waarop klager naakt naar de beveiligde cel werd overgebracht, één en dezelfde uitvoering van een fouillering op zijn lichaam betreffen. De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat de motivering van de bestreden fouillering op het lichaam indruist tegen de vereiste motiveringsplicht. De beslissing tot fouillering op het lichaam van klager werd immers louter gemotiveerd als volgt: “Plaatsing in de Veiligheidscel”, wat indruist tegen de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Vervolgens stelt de klachtencommissie vast dat niet wordt betwist dat klager naakt naar de beveiligde cel werd overgebracht. Bij gebreke aan enige betwisting, ziet de klachtencommissie dan ook geen redenen om te twijfelen aan deze door klager naar voren gebrachte argumenten. In die zin gaat de fouillering van klager ook in tegen de in de Basiswet opgenomen vereisten dat de fouillering enkel mag plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden alsook dat de fouillering op het lichaam dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de gedetineerde. Het overbrengen van klager naar de beveiligde cel terwijl hij volledig ontkleed was, zonder dat daarvoor enige motivering of rechtvaardiging werd of wordt gegeven, schendt onmiskenbaar de vereiste eerbiediging van zijn waardigheid. Deze tweede klacht is ontvankelijk en gegrond.