KC05/22-0135
Non fondée
Irrecevable
KC - Brugge
Commission des plaintes
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR – BEVOEGDHEID – TUCHT – VERBODEN SUBSTANTIES – BEWIJS
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. Klager geeft aan dat hij wordt gestraft voor iets dat werd gevonden op zijn cel. De gevonden substanties behoren echter toe aan zijn celgenoot. Uit het verweer van de directie blijkt dat ook deze celgenoot de feiten ontkent. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie voldoende elementen had om de feiten ten aanzien van klager als bewezen te beschouwen. Zo geeft klager aan dat ‘iedereen weet dat zijn celgenoot blauwe pillen verhandelt tegen middelen’, alsook dat hij zijn celgenoot al verboden middelen zag gebruiken. De directie kon dan ook terecht aannemen dat klager op de hoogte was van de aanwezigheid van de verboden substanties in de verblijfsruimte. Deze eerste klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen het feit dat men zijn uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven probeert af te nemen. De aanpassing, schorsing en herroeping van uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven behoren echter tot de bevoegdheid van de minister van Justitie of diens gemachtigden. Er is geen beslissing van de directie ten aanzien van klager. Deze tweede klacht is niet ontvankelijk.
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. Klager geeft aan dat hij wordt gestraft voor iets dat werd gevonden op zijn cel. De gevonden substanties behoren echter toe aan zijn celgenoot. Uit het verweer van de directie blijkt dat ook deze celgenoot de feiten ontkent. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie voldoende elementen had om de feiten ten aanzien van klager als bewezen te beschouwen. Zo geeft klager aan dat ‘iedereen weet dat zijn celgenoot blauwe pillen verhandelt tegen middelen’, alsook dat hij zijn celgenoot al verboden middelen zag gebruiken. De directie kon dan ook terecht aannemen dat klager op de hoogte was van de aanwezigheid van de verboden substanties in de verblijfsruimte. Deze eerste klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen het feit dat men zijn uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven probeert af te nemen. De aanpassing, schorsing en herroeping van uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven behoren echter tot de bevoegdheid van de minister van Justitie of diens gemachtigden. Er is geen beslissing van de directie ten aanzien van klager. Deze tweede klacht is niet ontvankelijk.