KC04/26-0079
Non fondée
Fondée
Irrecevable
KC - Beveren
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
Fouille à corps
TUCHT - FOUILLE LICHAAM - VOORWERPEN - SCHADE - ARBEID
Klager heeft in eerste instantie een klacht ingediend tegen een tuchtbeslissing van 26.03.2026. Uit de dossierstukken en het verweer van de directie blijkt dat er geen tuchtsanctie werd opgelegd ten aanzien van klager. Integendeel, de directie besliste om ingevolge het rapport aan de directeur (RAD) geen tuchtsanctie op te leggen. Er werd wel degelijk een beslissing door de directie genomen waardoor de klacht ontvankelijk is maar bij gebreke aan een belang is de klacht tegen deze beslissing ongegrond.
Klager heeft in tweede instantie een klacht ingediend tegen de naaktfouille van 29.03.2026. Volgens klager was de aansteker die hij bij zich had de oorzaak voor het signaal van de metaaldetectieportiek. Hij heeft deze afgegeven aan een beambte waarna hij niet meer piepte. De klachtencommissie meent dat de vermelde vaststelling bestaande uit het piepen van de metaaldetectieportiek wanneer klager deze passeert en dit driemaal na elkaar, een individuele en concrete aanwijzing was dat klager in het bezit was van een voorwerp dat hij trachtte te verbergen waardoor het vermoedelijk een verboden of gevaarlijk voorwerp was. De klachtencommissie meent dat klager zich verdacht heeft gemaakt door de aansteker niet spontaan af te geven de eerste keer dat hij door de metaaldetectieportiek ging. Volgens klager piepte de metaaldetectie niet meer nadat hij zijn aansteker had afgegeven, doch dit staat niet zo vermeld in de motivering van de bestreden beslissing. Aangezien een minder ingrijpende controlemaatregel een positief signaal bleef afgeven, besluit de klachtencommissie dat de beslissing om klager te onderwerpen aan een naaktfouille gerechtvaardigd was. Om deze reden is de klacht ongegrond.
Klager heeft vervolgens een klacht ingediend omdat hij zijn dvd-speler na een celcontrole beschadigd heeft teruggekregen. Zowel uit het verweer van de directie als de verklaringen ter zitting blijkt dat klager het formulier uit bijlage 1 bij Collectieve Brief nr. 133 nog niet heeft gevraagd aan een beambte en dus nog niet heeft ingediend. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een verzuim of een weigering in hoofde van de directie om een schadedossier in te dienen bij DJO. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.
Klager heeft ook een klacht ingediend tegen de tuchtbeslissing van 04.04.2026. De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De weergegeven uitspraken zijn dermate concreet dat het ongeloofwaardig is dat de opsteller van het RAD deze zou hebben verzonnen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren. Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.
Klager heeft tenslotte een klacht ingediend omdat hij zijn werk in de koude keuken van de grootkeuken is kwijtgeraakt door de tuchtbeslissing van 04.04.2026. De directie is van oordeel dat zij de plek van klager moest invullen omdat de keuken geen medewerker kan missen gedurende zeven dagen. De klachtencommissie stelt in eerste instantie vast dat klager geen schriftelijke beslissing heeft ontvangen waarin werd gemotiveerd waarom hij werd ontslagen uit de keuken. Klager werd ook niet door de directie geïnformeerd over de afzetting van zijn werk. Klager vernam van een beambte dat hij moest inpakken omdat hij door de tuchtsanctie moest verhuizen naar het gesloten regime en niet meer kon gaan werken. Op dat moment had klager de tuchtbeslissing nog niet eens ontvangen. Klager blijkt ook niet ontslagen te zijn omdat de directie hem niet meer geschikt achtte voor de job. Hij is louter ontslagen omdat hij gedurende zijn zeven dagen ATV niet mocht deelnemen aan activiteiten in gemeenschappelijk verband, zoals zijn werk in de keuken. Gelet op deze omstandigheden is de klachtencommissie van oordeel dat het ontslag van klager zich voordoet als een tweede (verdoken) tuchtsanctie, boven op de zeven dagen ATV, hetgeen in strijd is met artikel 143, §3 van de Basiswet waarin wordt gesteld dat sanctie van de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte alleen kan worden opgelegd met uitsluiting van de andere tuchtsancties. Om deze redenen is de klacht tegen de afzetting van werk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de afzetting van werk. Artikel 158, §4, eerste lid van de Basiswet bepaalt dat de directeur de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, ongedaan maakt. Dit betekent dat klager zijn job onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst hiervoor geplaatst te worden. Bijgevolg komt de gegrondverklaring van de klacht overeen met de vraag van klager in zijn klacht om hersteld te worden in zijn functie zodat de klachtencommissie geen tegemoetkoming toekent.
Klager heeft in eerste instantie een klacht ingediend tegen een tuchtbeslissing van 26.03.2026. Uit de dossierstukken en het verweer van de directie blijkt dat er geen tuchtsanctie werd opgelegd ten aanzien van klager. Integendeel, de directie besliste om ingevolge het rapport aan de directeur (RAD) geen tuchtsanctie op te leggen. Er werd wel degelijk een beslissing door de directie genomen waardoor de klacht ontvankelijk is maar bij gebreke aan een belang is de klacht tegen deze beslissing ongegrond.
Klager heeft in tweede instantie een klacht ingediend tegen de naaktfouille van 29.03.2026. Volgens klager was de aansteker die hij bij zich had de oorzaak voor het signaal van de metaaldetectieportiek. Hij heeft deze afgegeven aan een beambte waarna hij niet meer piepte. De klachtencommissie meent dat de vermelde vaststelling bestaande uit het piepen van de metaaldetectieportiek wanneer klager deze passeert en dit driemaal na elkaar, een individuele en concrete aanwijzing was dat klager in het bezit was van een voorwerp dat hij trachtte te verbergen waardoor het vermoedelijk een verboden of gevaarlijk voorwerp was. De klachtencommissie meent dat klager zich verdacht heeft gemaakt door de aansteker niet spontaan af te geven de eerste keer dat hij door de metaaldetectieportiek ging. Volgens klager piepte de metaaldetectie niet meer nadat hij zijn aansteker had afgegeven, doch dit staat niet zo vermeld in de motivering van de bestreden beslissing. Aangezien een minder ingrijpende controlemaatregel een positief signaal bleef afgeven, besluit de klachtencommissie dat de beslissing om klager te onderwerpen aan een naaktfouille gerechtvaardigd was. Om deze reden is de klacht ongegrond.
Klager heeft vervolgens een klacht ingediend omdat hij zijn dvd-speler na een celcontrole beschadigd heeft teruggekregen. Zowel uit het verweer van de directie als de verklaringen ter zitting blijkt dat klager het formulier uit bijlage 1 bij Collectieve Brief nr. 133 nog niet heeft gevraagd aan een beambte en dus nog niet heeft ingediend. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een verzuim of een weigering in hoofde van de directie om een schadedossier in te dienen bij DJO. Om deze reden is de klacht niet-ontvankelijk.
Klager heeft ook een klacht ingediend tegen de tuchtbeslissing van 04.04.2026. De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De weergegeven uitspraken zijn dermate concreet dat het ongeloofwaardig is dat de opsteller van het RAD deze zou hebben verzonnen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren. Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.
Klager heeft tenslotte een klacht ingediend omdat hij zijn werk in de koude keuken van de grootkeuken is kwijtgeraakt door de tuchtbeslissing van 04.04.2026. De directie is van oordeel dat zij de plek van klager moest invullen omdat de keuken geen medewerker kan missen gedurende zeven dagen. De klachtencommissie stelt in eerste instantie vast dat klager geen schriftelijke beslissing heeft ontvangen waarin werd gemotiveerd waarom hij werd ontslagen uit de keuken. Klager werd ook niet door de directie geïnformeerd over de afzetting van zijn werk. Klager vernam van een beambte dat hij moest inpakken omdat hij door de tuchtsanctie moest verhuizen naar het gesloten regime en niet meer kon gaan werken. Op dat moment had klager de tuchtbeslissing nog niet eens ontvangen. Klager blijkt ook niet ontslagen te zijn omdat de directie hem niet meer geschikt achtte voor de job. Hij is louter ontslagen omdat hij gedurende zijn zeven dagen ATV niet mocht deelnemen aan activiteiten in gemeenschappelijk verband, zoals zijn werk in de keuken. Gelet op deze omstandigheden is de klachtencommissie van oordeel dat het ontslag van klager zich voordoet als een tweede (verdoken) tuchtsanctie, boven op de zeven dagen ATV, hetgeen in strijd is met artikel 143, §3 van de Basiswet waarin wordt gesteld dat sanctie van de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte alleen kan worden opgelegd met uitsluiting van de andere tuchtsancties. Om deze redenen is de klacht tegen de afzetting van werk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de afzetting van werk. Artikel 158, §4, eerste lid van de Basiswet bepaalt dat de directeur de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, ongedaan maakt. Dit betekent dat klager zijn job onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst hiervoor geplaatst te worden. Bijgevolg komt de gegrondverklaring van de klacht overeen met de vraag van klager in zijn klacht om hersteld te worden in zijn functie zodat de klachtencommissie geen tegemoetkoming toekent.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0271