KC04/25-0243
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Mesure provisoire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - ORDEMAATREGEL
De klacht gaat over een naaktfouille, een voorlopige maatregel en een ordemaatregel waarbij klager werd ontslagen uit de keuken in de gevangenis van Beveren.
Over de naaktfouille: de klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing concrete elementen bevat waarom de directeur het vermoeden had dat klager in het bezit was van verboden voorwerpen of substanties. In de beslissing is bovendien gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan hebben om deze voorwerpen of substanties te vinden. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam van 18.12.2025 voldeed aan de voorwaarden uit de Basiswet. De klacht is om deze redenen ongegrond.
Over de ordemaatregel: de klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Ook werd voldaan aan de vereiste dat de motivering moet toelaten dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over de voorlopige maatregel: in de motivering van de voorlopige maatregel wordt niet vermeld dat klager de fysieke integriteit van personen had aangetast. Van beschadigingen van goederen of de dreiging daarvoor, was ook geen sprake. De loutere vondst van verboden substanties maakt geen aantasting van de interne veiligheid uit. Het kan daarentegen wel gekwalificeerd worden onder een gevaar voor de orde en de veiligheid. De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis.
Aangezien er volgens de klachtencommissie geen sprake was van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, mocht het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte als voorlopige maatregel niet opgelegd worden. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond.
De klacht gaat over een naaktfouille, een voorlopige maatregel en een ordemaatregel waarbij klager werd ontslagen uit de keuken in de gevangenis van Beveren.
Over de naaktfouille: de klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing concrete elementen bevat waarom de directeur het vermoeden had dat klager in het bezit was van verboden voorwerpen of substanties. In de beslissing is bovendien gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan hebben om deze voorwerpen of substanties te vinden. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam van 18.12.2025 voldeed aan de voorwaarden uit de Basiswet. De klacht is om deze redenen ongegrond.
Over de ordemaatregel: de klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Ook werd voldaan aan de vereiste dat de motivering moet toelaten dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als geschikt wordt beschouwd voor de arbeidspost. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over de voorlopige maatregel: in de motivering van de voorlopige maatregel wordt niet vermeld dat klager de fysieke integriteit van personen had aangetast. Van beschadigingen van goederen of de dreiging daarvoor, was ook geen sprake. De loutere vondst van verboden substanties maakt geen aantasting van de interne veiligheid uit. Het kan daarentegen wel gekwalificeerd worden onder een gevaar voor de orde en de veiligheid. De orde is immers de toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis.
Aangezien er volgens de klachtencommissie geen sprake was van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, mocht het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte als voorlopige maatregel niet opgelegd worden. De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond.