Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0310

Fondée KC - Beveren Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - RECHT OP TEGENSPRAAK

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor twee inbreuken:
- het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (tuchtinbreuk eerste categorie): dit heeft betrekking op een bruine substantie en een gemanipuleerd mes dat op zijn cel werd gevonden
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (tuchtinbreuk tweede categorie): dit heeft betrekking op klagers gedrag tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting

Wat betreft het niet-naleven van het HHR, brengt de klachtencommissie in herinnering dat, indien de directeur meent dat de feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de tuchtrechtelijk hoorzitting een tuchtrechtelijk gevolg vereisten, ze klager hiervoor dient op te roepen volgens de procedure bepaald in artikel 144, §3 van de Basiswet. Uit het dossier blijkt dat dit niet gebeurd is. Klager heeft hierdoor geen tegenspraak kunnen voeren over de feiten die beschouwd werden als “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. Dit maakt een inbreuk uit van de Basiswet en het recht op tegenspraak, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM.

Om deze reden is de klacht gegrond, wat betreft de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”,

Wat betreft de tuchtinbreuk inzake de verboden substantie (bruine substantie) en het verboden voorwerp (gemanipuleerd mes), meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk is. Bovendien verbleef klager op een monocel. Klager heeft op de tuchtrechtelijke hoorzitting ook geen aannemelijke tegenindicaties aangevoerd, waaruit zou blijken dat de substantie/het voorwerp niet aan hem toebehoorde.

De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing, voor wat betreft de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.