Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0305

Non fondée Irrecevable KC - Beveren Commission des plaintes Disciplinaire Pas de décision du directeur Mesure d'ordre
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERBODEN VOORWERPEN - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - ORDEMAATREGEL - REGIMEMUTATIE - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - VORMING

De eerste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis. De tweede klacht is gericht tegen de ordemaatregel (regimemutatie) van de directie van de gevangenis. De derde klacht is gericht tegen het gebrek aan opleidingsmogelijkheden voor klager in de
gevangenis.

Wat betreft de eerste klacht (de tuchtbeslissing):
Klager kreeg bij tuchtbeslissing een tuchtsanctie van dertig dagen ATV voor twee inbreuken, zijnde ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ (een inbreuk van de eerste categorie) en ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ (een inbreuk van de tweede categorie). In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD.

Klager wordt gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting, met bijstand van zijn advocaat. Zijn standpunt wordt samengevat weergegeven.
Wat betreft de usb-sticks, stelt klager dat eentje geen USB-stick was, maar een SD-kaartje. Hij had deze nodig om te kunnen studeren. Klager haalt aan dat hij zelf stappen heeft ondernomen om lessen te kunnen volgen. De directeur wijst hem er op dat hij al herhaaldelijk werd aangesproken op het bezitten van dergelijke zaken. Wat betreft de verboden substanties, stelt klager dat hij zowel de cannabis als de speed op
wandeling heeft aangekocht. De cannabis nam hij voor de pijn in zijn nek en rug, omdat hij van de medische dienst niet de juiste medicatie krijgt. De witte substantie had hij nog niet gebruikt. Klager wordt gesanctioneerd met dertig dagen ATV voor twee inbreuken.
Gelet op de vaststellingen uit het RAD en het gegeven dat klager de feiten niet ontkent, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende. In geval van een inbreuk van de eerste categorie, kan er voor een maximumduur van dertig dagende tuchtsanctie worden opgelegd van ATV. Klager kreeg de maximale tuchtsanctie van ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en niet onredelijk, gelet op alle elementen in het dossier. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

Wat betreft de tweede klacht (de ordemaatregel regimemutatie):
De klachtencommissie merkt op dat de ordemaatregel is genomen op dezelfde dag als de tuchtbeslissing. De vraag rijst dan of de regimemutatie automatisch en uitsluitend voortvloeit uit de tuchtsanctie, waardoor zou kunnen worden gesteld dat de directie in feite een bijkomende sanctie
heeft gekoppeld aan de tuchtinbreuk, die niet voorzien is in de wet. Het feit dat dergelijk automatisme is ingeschreven in het leefreglement van het open regime bij een ernstige inbreuk, doet niets af aan het bovenstaande en ontslaat de directie niet van de motiveringsplicht met betrekking tot beslissingen over in welk regime een gedetineerde wordt geplaatst.

In casu verwijst de bestreden ordemaatregel uitdrukkelijk naar het leefreglement dat deels wordt geciteerd meerbepaald en inzonderheid waar het gewag maakt van “inbreuken die bij herhaling gepleegd worden”. Ter zitting licht de directie de context toe van de recidive en gebrek aan zelfinzicht. De klachtencommissie meent in deze omstandigheden dan ook dat de directie, door het opleggen van zowel de tuchtbeslissing als de ordemaatregel met een bijkomende motivering, zijnde de recidive, het cumulverbod uit artikel 143, §3 van de Basiswet niet heeft geschonden. Dat de ordemaatregel werd genomen op de dag van de tuchtmaatregel is begrijpelijk en legitiem. Door te beslissen dat de feiten een tuchtinbreuk impliceren kwam ook onmiddellijk de recidive vast te staan welke mede de motivering vormt van de ordemaatregel. Om deze redenen is de klacht ongegrond.

Wat betreft de derde klacht (de opleidingsmogelijkheden):
Een beslissing omtrent het toelaten van een gedetineerde bij een opleiding, betreft echter geen beslissing van de directeur, maar een bevoegdheid die toekomt aan de Vlaamse Gemeenschap. Klager brengt zijn klacht niet in verband met een beslissing die wel door of namens de
gevangenisdirecteur ten aanzien van hem werd genomen, en uit het dossier blijkt niet dat de directie op enigerlei wijze betrokken was bij het nemen van de beslissing rond de opleidingsmogelijkheden van klager. De klacht is niet-ontvankelijk.