KC04/24-0257
Non fondée
Fondée
Irrecevable
KC - Beveren
Commission des plaintes
ONONTVANKELIJK - VORM - VOORLOPIGE MAATREGEL - BVM - TUCHT
De klacht is viervoudig en betref:
- een hongerstaking
- "veel problemen"
- een voorlopige maatregel
- een tuchtbeslissing
1. De hongerstaking
De klacht inzake klagers hongerstaking is geen beslissing van de directeur. Integendeel, dit betreft een beslissing van klager zelf. Hiertegen kan geen klacht worden ingediend.
2. Veel problemen
Wat betreft de klacht over klagers behandeling “strafcel, personeel” en dat hij “veel problemen heeft”, kan de klachtencommissie ook geen beslissing van de directeur ontwaren. Volgens artikel 150, §2 van de Basiswet dient de klager de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van de klacht zo nauwkeurig mogelijk te vermelden. De klachtencommissie stelt vast dat dit niet het geval is. Het is niet duidelijk over welke beslissing van de directeur klager zich beklaagt.
3. De voorlopige maatregel
Uit de motivering van de voorlopige maatregel leidt de klachtencommissie af dat deze werd opgelegd voor de veiligheid van klager zelf.
De klachtencommissie wijst erop dat een voorlopige maatregel wordt genomen in afwachting van een tuchtprocedure, die een bestraffend karakter heeft. Dit in acht genomen, meent de klachtencommissie dat het opleggen van een voorlopige maatregel geen gepast antwoord is op een gedetineerde die dreigt met automutilatie. In dit geval is het aangewezen dat de directie een bijzondere veiligheidsmaatregel oplegt, eerder dan een voorlopige maatregel. Een bijzondere veiligheidsmaatregel heeft namelijk als doel de bescherming van de veiligheid of orde, zonder dat deze een bestraffend karakter heeft.
De klachtencommissie meent dat de directie de voorlopige maatregel op een oneigenlijke wijze heeft gebruikt. Daarom stelt zij een onwettigheid vast en concludeert dat de klacht gegrond is.
4. De tuchtbeslissing
De klachtencommissie meent dat het RAD zeer duidelijk is. Klager ontkent de feiten van het RAD ook niet. Hij kadert ze weliswaar op de tuchtrechtelijk hoorzitting. De klachtencommissie meent dat de directie de tuchtrechtelijke feiten als bewezen kon beschouwen.
De klacht is viervoudig en betref:
- een hongerstaking
- "veel problemen"
- een voorlopige maatregel
- een tuchtbeslissing
1. De hongerstaking
De klacht inzake klagers hongerstaking is geen beslissing van de directeur. Integendeel, dit betreft een beslissing van klager zelf. Hiertegen kan geen klacht worden ingediend.
2. Veel problemen
Wat betreft de klacht over klagers behandeling “strafcel, personeel” en dat hij “veel problemen heeft”, kan de klachtencommissie ook geen beslissing van de directeur ontwaren. Volgens artikel 150, §2 van de Basiswet dient de klager de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van de klacht zo nauwkeurig mogelijk te vermelden. De klachtencommissie stelt vast dat dit niet het geval is. Het is niet duidelijk over welke beslissing van de directeur klager zich beklaagt.
3. De voorlopige maatregel
Uit de motivering van de voorlopige maatregel leidt de klachtencommissie af dat deze werd opgelegd voor de veiligheid van klager zelf.
De klachtencommissie wijst erop dat een voorlopige maatregel wordt genomen in afwachting van een tuchtprocedure, die een bestraffend karakter heeft. Dit in acht genomen, meent de klachtencommissie dat het opleggen van een voorlopige maatregel geen gepast antwoord is op een gedetineerde die dreigt met automutilatie. In dit geval is het aangewezen dat de directie een bijzondere veiligheidsmaatregel oplegt, eerder dan een voorlopige maatregel. Een bijzondere veiligheidsmaatregel heeft namelijk als doel de bescherming van de veiligheid of orde, zonder dat deze een bestraffend karakter heeft.
De klachtencommissie meent dat de directie de voorlopige maatregel op een oneigenlijke wijze heeft gebruikt. Daarom stelt zij een onwettigheid vast en concludeert dat de klacht gegrond is.
4. De tuchtbeslissing
De klachtencommissie meent dat het RAD zeer duidelijk is. Klager ontkent de feiten van het RAD ook niet. Hij kadert ze weliswaar op de tuchtrechtelijk hoorzitting. De klachtencommissie meent dat de directie de tuchtrechtelijke feiten als bewezen kon beschouwen.