KC04/24-0190
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Autre décision directeur
ARBEID - ONTSLAG - TUCHT - NON BIS IN IDEM
De klacht is gericht tegen de beslissing tot afzetting van werk.
Hoewel de directie stelt dat er geen sprake is van een beslissing door of namens de directeur, meent de klachtencommissie dat er weldegelijk een beslissing werd genomen door de directeur om klager af te zetten van zijn werk.
Uit het dossier blijkt dat er geen schriftelijke beslissing werd genomen, maar dit doet hieraan geen afbreuk. De Basiswet bepaalt immers dat de directeur bevoegd is voor de toewijzing van de in de gevangenis beschikbare arbeid , wat impliceert dat ook de afzetting een bevoegdheid van de directeur uitmaakt en een beslissing door of namens hem vereist. Dat er een beslissing werd genomen tot afzetting, wordt bevestigd doordat blijkt dat klager op de dag van de tuchtbeslissing zijn werkerskledij heeft moeten inleveren en de bevestiging gekregen dat hij zijn werk kwijt was. Er moet volgens de klachtencommissie dan ook geen sprake zijn van een schriftelijke beslissing om te kunnen spreken van een beslissing in de zin van artikel 148, eerste lid van de Basiswet.
Uit de verklaringen van klager ter zitting van de klachtencommissie, blijkt dat hij de dag van de tuchtbeslissing via het personeel te horen kreeg dat hij niet zou mogen terugkeren naar zijn werk (en dit onrechtstreeks doordat hem werd gevraagd zijn werkkledij af te geven). Deze verklaring werd niet tegengesproken door de directeur.
Door de beslissing tot afzetting meteen te nemen, doet deze zich voor als een tweede bijkomende (verdoken) tuchtsanctie. De Nederlandstalige beroepscommissie oordeelde in het verleden dat het anders zou zijn wanneer er in het verleden reeds sprake was van waarschuwingen voor klagers gedrag op de werkvloer, waarbij deze tuchtsanctie dan eventueel de spreekwoordelijke druppel zou zijn. De klachtencommissie meent dan ook dat de directie het cumulverbod uit artikel 143, §3 van de Basiswet omzeilt, door klager meteen af te zetten van zijn werk. De instructies van DG EPI schrijven terecht voor dat pas na afloop van de tuchtsanctie kan worden geëvalueerd of er nog aanleiding is tot een ontslag en klager aldus niet opnieuw aan het werk kan.
Bovendien dient elke beslissing die wordt genomen in het kader van de Basiswet, gemotiveerd te worden. De motiveringsplicht is bovendien uitdrukkelijk opgenomen in artikel 8 van de Basiswet en beoogt de gedetineerde te informeren over de motieven die ten grondslag liggen aan de beslissing. Uit de zitting van de klachtencommissie is gebleken dat klager niet op de hoogte werd gesteld van de beslissing tot afzetting van werk of de motieven daarvan. Hij kwam de afzetting enkel te weten doordat hij zijn werkerskledij moest inleveren en er bevestigend werd geantwoord op zijn vraag of hij werd afgezet van werk. Hij werd hiervan niet formeel in kennis gesteld (niet schriftelijk, noch mondeling).
Om deze reden, stelt de klachtencommissie een schending van de motiveringsplicht vast (zoals gewaarborgd door artikel 8 van de Basiswet), alsook van het cumulverbod opgelegd door artikel 143, §3 van de Basiswet.
De klacht is dan ook gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt aan de directie op om klager bovenaan de werklijst te plaatsen.
De klacht is gericht tegen de beslissing tot afzetting van werk.
Hoewel de directie stelt dat er geen sprake is van een beslissing door of namens de directeur, meent de klachtencommissie dat er weldegelijk een beslissing werd genomen door de directeur om klager af te zetten van zijn werk.
Uit het dossier blijkt dat er geen schriftelijke beslissing werd genomen, maar dit doet hieraan geen afbreuk. De Basiswet bepaalt immers dat de directeur bevoegd is voor de toewijzing van de in de gevangenis beschikbare arbeid , wat impliceert dat ook de afzetting een bevoegdheid van de directeur uitmaakt en een beslissing door of namens hem vereist. Dat er een beslissing werd genomen tot afzetting, wordt bevestigd doordat blijkt dat klager op de dag van de tuchtbeslissing zijn werkerskledij heeft moeten inleveren en de bevestiging gekregen dat hij zijn werk kwijt was. Er moet volgens de klachtencommissie dan ook geen sprake zijn van een schriftelijke beslissing om te kunnen spreken van een beslissing in de zin van artikel 148, eerste lid van de Basiswet.
Uit de verklaringen van klager ter zitting van de klachtencommissie, blijkt dat hij de dag van de tuchtbeslissing via het personeel te horen kreeg dat hij niet zou mogen terugkeren naar zijn werk (en dit onrechtstreeks doordat hem werd gevraagd zijn werkkledij af te geven). Deze verklaring werd niet tegengesproken door de directeur.
Door de beslissing tot afzetting meteen te nemen, doet deze zich voor als een tweede bijkomende (verdoken) tuchtsanctie. De Nederlandstalige beroepscommissie oordeelde in het verleden dat het anders zou zijn wanneer er in het verleden reeds sprake was van waarschuwingen voor klagers gedrag op de werkvloer, waarbij deze tuchtsanctie dan eventueel de spreekwoordelijke druppel zou zijn. De klachtencommissie meent dan ook dat de directie het cumulverbod uit artikel 143, §3 van de Basiswet omzeilt, door klager meteen af te zetten van zijn werk. De instructies van DG EPI schrijven terecht voor dat pas na afloop van de tuchtsanctie kan worden geëvalueerd of er nog aanleiding is tot een ontslag en klager aldus niet opnieuw aan het werk kan.
Bovendien dient elke beslissing die wordt genomen in het kader van de Basiswet, gemotiveerd te worden. De motiveringsplicht is bovendien uitdrukkelijk opgenomen in artikel 8 van de Basiswet en beoogt de gedetineerde te informeren over de motieven die ten grondslag liggen aan de beslissing. Uit de zitting van de klachtencommissie is gebleken dat klager niet op de hoogte werd gesteld van de beslissing tot afzetting van werk of de motieven daarvan. Hij kwam de afzetting enkel te weten doordat hij zijn werkerskledij moest inleveren en er bevestigend werd geantwoord op zijn vraag of hij werd afgezet van werk. Hij werd hiervan niet formeel in kennis gesteld (niet schriftelijk, noch mondeling).
Om deze reden, stelt de klachtencommissie een schending van de motiveringsplicht vast (zoals gewaarborgd door artikel 8 van de Basiswet), alsook van het cumulverbod opgelegd door artikel 143, §3 van de Basiswet.
De klacht is dan ook gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt aan de directie op om klager bovenaan de werklijst te plaatsen.