KC04/24-0163
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGELEN - TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN
De eerste klacht is gericht tegen de beslissing van de directie van de gevangenis van Beveren waarbij ten aanzien van klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
Klager kreeg een voorlopige maatregel opgelegd voor “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. Klager moest hierdoor verplicht verblijven in de toegewezen verblijfsruimte.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
De “interne veiligheid” wordt in de Basiswet gedefinieerd als “een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding”.
De klachtencommissie meent dat de directie op basis van de vondst van een gsm-toestel en bijbehoren redelijkerwijze kon oordelen dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen.
De klacht is ongegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. De directie heeft hierbij als tuchtoverheid een discretionaire bevoegdheid.
Bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid dient de directeur in het bijzonder rekening te houden met het vermoeden van onschuld als een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
De klachtencommissie stelt vast dat er sprake is van een schuldbekentenis van één van de celgenoten van klager voor wat betreft de usb-stick en de gsm. De directie trekt de bekentenis in twijfel omwille van de volgende elementen:
- kort voor deze feiten zou klager hebben gezegd dat hij een gsm op cel had;
- klager heeft tuchtrechtelijke antecedenten van dezelfde aard.
De klachtencommissie merkt op dat de directie in haar tuchtbeslissing verschillende standpunten inneemt:
- enerzijds gelooft ze de bekentenis van de celgenoot van klager niet (“De directeur maakt betrokkene duidelijk dat hij de eerdere bekentenis van diens celgenoot niet geloofde, […]”). Ze meent dus dat de gsm wel van klager is, en dit op basis van twee elementen (antecenten en een recente uitspraak van klager);
- anderzijds verwijt ze klager deelneming: “Er is minstens sprake van deelneming […]. Elke gedetineerde is verantwoordelijk voor wat er zich binnen diens verblijfsruimte afspeelt. […] wanneer er zich dergelijke feiten voordoen is het de verantwoordelijkheid van de gedetineerde dit te melden, […].” (eigen nadruk). Dit standpunt bevestigt ze in haar schriftelijk en mondeling verweer.
De directie lijkt klager dus eerder deelneming te verwijten.
Op de zitting van de klachtencommissie gaf klager zelf aan op de hoogte te zijn van de aanwezigheid van de gsm op cel.
Het niet verklikken van een celgenoot is echter onvoldoende om verantwoordelijk te worden gehouden als deelnemer aan de tuchtinbreuk. De beroepscommissie heeft reeds verschillende malen geoordeeld dat een louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van verboden voorwerpen of substanties onvoldoende is om gesanctioneerd te worden voor een tuchtinbreuk. Van een gedetineerde kan namelijk niet verwacht worden dat hij zijn celgenoten verklikt. Dit kan leiden tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Dergelijke veronderstelling leidt op haar beurt dus tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid in de gevangenis. De beroepscommissie ontleende dit standpunt aan het Europees Comité ter Preventie van Foltering (CPT). Het weerspiegelt dus een internationale consensus.
Naast de usb-stick en de gsm werd er opgespaarde medicatie aangetroffen op de cel van klager en zijn celgenoten. De klachtencommissie merkt op dat de directie geen verder onderzoek heeft gedaan naar de feiten om na te gaan aan wie de medicatie toebehoorde, en schendt hiermee haar zorgvuldigheidsplicht. Zij motiveert op geen enkele manier waarom de medicatie concreet wordt toegerekend aan klager.
Ter zitting van de klachtencommissie verklaarde klager dat de medicatie toebehoorde aan de celgenoot die op dat moment op uitgang was en dat hijzelf geen medicatie neemt. De medicatie werd aangetroffen in de kast van zijn celgenoot, die gesloten was maar volgens de directie niet sleutelvast. De directie ontkende ter zitting niet dat de medicatie voorgeschreven wordt aan de celgenoot, en maakte het voor het overig niet aannemelijk dat de medicatie aan klager toebehoorde.
Om bovenstaande redenen, meent de klachtencommissie dat de directie onvoldoende onderzoek heeft gevoerd en de individuele tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van klager onvoldoende gemotiveerd heeft.
De klacht is aldus gegrond.
De eerste klacht is gericht tegen de beslissing van de directie van de gevangenis van Beveren waarbij ten aanzien van klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
Klager kreeg een voorlopige maatregel opgelegd voor “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. Klager moest hierdoor verplicht verblijven in de toegewezen verblijfsruimte.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
De “interne veiligheid” wordt in de Basiswet gedefinieerd als “een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding”.
De klachtencommissie meent dat de directie op basis van de vondst van een gsm-toestel en bijbehoren redelijkerwijze kon oordelen dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen.
De klacht is ongegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. De directie heeft hierbij als tuchtoverheid een discretionaire bevoegdheid.
Bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid dient de directeur in het bijzonder rekening te houden met het vermoeden van onschuld als een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
De klachtencommissie stelt vast dat er sprake is van een schuldbekentenis van één van de celgenoten van klager voor wat betreft de usb-stick en de gsm. De directie trekt de bekentenis in twijfel omwille van de volgende elementen:
- kort voor deze feiten zou klager hebben gezegd dat hij een gsm op cel had;
- klager heeft tuchtrechtelijke antecedenten van dezelfde aard.
De klachtencommissie merkt op dat de directie in haar tuchtbeslissing verschillende standpunten inneemt:
- enerzijds gelooft ze de bekentenis van de celgenoot van klager niet (“De directeur maakt betrokkene duidelijk dat hij de eerdere bekentenis van diens celgenoot niet geloofde, […]”). Ze meent dus dat de gsm wel van klager is, en dit op basis van twee elementen (antecenten en een recente uitspraak van klager);
- anderzijds verwijt ze klager deelneming: “Er is minstens sprake van deelneming […]. Elke gedetineerde is verantwoordelijk voor wat er zich binnen diens verblijfsruimte afspeelt. […] wanneer er zich dergelijke feiten voordoen is het de verantwoordelijkheid van de gedetineerde dit te melden, […].” (eigen nadruk). Dit standpunt bevestigt ze in haar schriftelijk en mondeling verweer.
De directie lijkt klager dus eerder deelneming te verwijten.
Op de zitting van de klachtencommissie gaf klager zelf aan op de hoogte te zijn van de aanwezigheid van de gsm op cel.
Het niet verklikken van een celgenoot is echter onvoldoende om verantwoordelijk te worden gehouden als deelnemer aan de tuchtinbreuk. De beroepscommissie heeft reeds verschillende malen geoordeeld dat een louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van verboden voorwerpen of substanties onvoldoende is om gesanctioneerd te worden voor een tuchtinbreuk. Van een gedetineerde kan namelijk niet verwacht worden dat hij zijn celgenoten verklikt. Dit kan leiden tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Dergelijke veronderstelling leidt op haar beurt dus tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid in de gevangenis. De beroepscommissie ontleende dit standpunt aan het Europees Comité ter Preventie van Foltering (CPT). Het weerspiegelt dus een internationale consensus.
Naast de usb-stick en de gsm werd er opgespaarde medicatie aangetroffen op de cel van klager en zijn celgenoten. De klachtencommissie merkt op dat de directie geen verder onderzoek heeft gedaan naar de feiten om na te gaan aan wie de medicatie toebehoorde, en schendt hiermee haar zorgvuldigheidsplicht. Zij motiveert op geen enkele manier waarom de medicatie concreet wordt toegerekend aan klager.
Ter zitting van de klachtencommissie verklaarde klager dat de medicatie toebehoorde aan de celgenoot die op dat moment op uitgang was en dat hijzelf geen medicatie neemt. De medicatie werd aangetroffen in de kast van zijn celgenoot, die gesloten was maar volgens de directie niet sleutelvast. De directie ontkende ter zitting niet dat de medicatie voorgeschreven wordt aan de celgenoot, en maakte het voor het overig niet aannemelijk dat de medicatie aan klager toebehoorde.
Om bovenstaande redenen, meent de klachtencommissie dat de directie onvoldoende onderzoek heeft gevoerd en de individuele tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van klager onvoldoende gemotiveerd heeft.
De klacht is aldus gegrond.