Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0119

Fondée KC - Beveren Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - MEERPERSOONSCEL

De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat klager in elk geval niet beschouwd kan worden als hoofddader van de tuchtinbreuk van het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Uit het dossier blijkt dat klagers celgenoot de zak met tabak en verboden substantie van een medegedetineerde heeft gekregen.

Een gedetineerde kan eveneens tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden als deelnemer aan de tuchtinbreuk. Artikel 131 van de Basiswet schrijft voor dat deelname aan een tuchtinbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf. De klachtencommissie stelt vast dat dit ook hetgeen is waarvoor klager gesanctioneerd is.

Uit het dossier blijkt echter dat klager geen actieve deelname heeft verleend aan zijn celgenoot bij het bekomen van de verboden substantie. Zowel in zijn klachtenformulier als op de tuchtrechtelijke hoorzitting legt klager dat hij op UV was wanneer zijn celgenoot de tabak (met verboden substantie in) in ontvangst heeft genomen. De directie trekt dit ook niet in twijfel.

De klachtencommissie meent dat uit klagers verklaringen op de tuchtrechtelijke hoorzitting wél kan worden afgeleid dat klager op de hoogte was van de verboden substantie, omdat hij spreekt van een “sterke geur”.

Echter, een louter op de hoogte zijn van een tuchtinbreuk, zoals de aanwezigheid van verboden substanties op cel, is onvoldoende om een gedetineerde te beschouwen als deelnemer aan een tuchtinbreuk. Om deze reden meent de klachtencommissie dat de klacht tegen de tuchtinbreuk inzake het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties gegrond is. Ze vernietigt de bestreden tuchtbeslissing. Ze merkt op dat klager geen tegemoetkoming heeft gevraagd in zijn klachtenformulier en acht zelf ook geen verdere tegemoetkoming nodig.