Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0111

Non fondée Fondée KC - Beveren Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
TUCHT - VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - KWALIFICATIE

De klacht is tweeledig en is gericht tegen:
- een voorlopige maatregel;
- een tuchtbeslissing.

1. De voorlopige maatregel
In geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, kan de directeur, in afwachting van de tuchtprocedure, de voorlopige maatregel van het verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte opleggen. De klachtencommissie meent dat de directie op basis van de vondst van de verboden substanties, waarbij zij nog niet kon oordelen welke rol klager hierin speelde, redelijkerwijze kon oordelen dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. Zij kon dus een voorlopige maatregel opleggen.
De eerste klacht is niet gegrond.

2. De tuchtbeslissing
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (tuchtinbreuk eerste categorie ). Klager wordt gesanctioneerd met dertig dagen ATV voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.

Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. De directie heeft hierbij als tuchtoverheid een discretionaire bevoegdheid.
Bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid dient de directeur in het bijzonder rekening te houden met het vermoeden van onschuld als een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht.
De klachtencommissie merkt op dat er geen discussie lijkt te bestaan over de schuld van klagers celgenoot voor de verboden substanties die werden aangetroffen op cel. Zo staat er in de tuchtbeslissing het volgende: “De directeur maakt betrokkene duidelijk dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de verboden middelen van zijn celgenoot.” (eigen onderstreping).

De directie motiveert echter op geen enkele manier waarom één van de gevonden verboden substanties concreet toegerekend kan worden aan klager.
De directie steunt haar beslissing i.v.m. dit aspect op het feit dat klager op de hoogte moest zijn geweest van de aanwezigheid van de verboden middelen van zijn celgenoot, en verwijt hem dat hij geen melding heeft gemaakt van de gebeurtenissen op cel.
Artikel 131 van de Basiswet stelt dat de deelneming aan een tuchtinbreuk gestraft wordt met dezelfde straffen als de tuchtinbreuken zelf. Om medeplichtig te zijn aan een tuchtinbreuk, moet een daad van medeplichtigheid gesteld zijn. De gedetineerde moet daarbij de dader hebben geholpen of bijgestaan in daden die de inbreuk hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid. De directie haalt in haar motivering van de tuchtbeslissing geen zo’n daad van medeplichtigheid aan en stelt enkel vast dat klager wellicht op de hoogte was van de verboden substanties die gevonden werden op cel.
De beroepscommissie heeft reeds verschillende malen geoordeeld dat een louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van verboden voorwerpen of substanties onvoldoende is om gesanctioneerd te worden voor een tuchtinbreuk. Van een gedetineerde kan namelijk niet verwacht worden dat hij zijn celgenoten verklikt. Dit kan leiden tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Dergelijke veronderstelling leidt op haar beurt dus tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid in de gevangenis. De beroepscommissie ontleende dit standpunt aan het Europees Comité ter Preventie van Foltering (CPT). Het weerspiegelt dus een internationale consensus.
Om deze reden, meent de klachtencommissie dat de directie de individuele tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van klager wat betreft de verboden substanties onvoldoende gemotiveerd heeft, zodat de motivering strijdig is met artikel 8 j° artikel 144, §6, tweede lid Basiswet.

Een ander element dat de directie in haar tuchtbeslissing weerhoudt, zijn de pillen die werden gevonden bij klager. Dit bleek Diazepam te zijn. Klager bekende dat deze medicatie van hem was en verklaarde ze te hebben gekregen op wandeling, in ruil voor tabak.
Het bezit van medicatie werd gekwalificeerd als een inbreuk van eerste categorie, namelijk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Deze tuchtinbreuk slaat op voorwerpen of substanties die ook in de vrije samenleving verboden zijn, zoals drugs en wapens.
Diazepam is geen bij wet verboden substantie en niet verboden in de vrije samenleving. Het bezitten van Diazepam kan dus niet gekwalificeerd worden als het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De feiten lenen zich wél voor volgende kwalificatie: het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (in casu meer specifiek de regels omtrent medicatie enerzijds (huishoudelijk reglement, pagina 10) en de regels omtrent verkopen, ruilingen, leningen, schenkingen en andere gelijkaardige handelingen tussen gedetineerden anderzijds (huishoudelijk reglement, pagina 11)). Dit betreft een inbreuk van de tweede categorie.
De tuchtsanctie voor een tuchtinbreuk van de tweede categorie mag maximaal vijftien dagen ATV bedragen. Klager kreeg een tuchtsanctie opgelegd van dertig dagen ATV.

De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van dertig dagen ATV voor de tuchtinbreuk van het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (een inbreuk van de eerste categorie)
wordt vervangen door
- de tuchtsanctie van vijftien dagen ATV voor de tuchtinbreuk ven het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie).

De klacht is aldus gegrond.