Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0107

Non fondée KC - Beveren Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - FOUILLE LICHAAM - CELCONTROLE - BEWIJS - BIJSTAND ADVOCAAT - GEURWAARNEMING

De klachten betreffen verschillende beslissingen van de directie van de gevangenis van Beveren die ten aanzien van klager werden genomen in het kader van geurwaarneming.

De eerste klacht is gericht tegen de uitvoering van de fouillering op het lichaam van 24 maart 2024.
Hoewel de klachtencommissie onmogelijk kan verifiëren of de beambten effectief meermaals hebben geweigerd om hem een handdoek te geven, meent de klachtencommissie dat klager dit niet aannemelijk maakt.
De klachtencommissie stelt geen schending vast van de procedure zoals opgelegd door bijlage 3 van Collectieve Brief nr. 141.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

De tweede klacht is gericht tegen de uitvoering van de celcontrole.
De klachtencommissie meent dat klager het niet aannemelijk maakt dat zijn spullen effectief onterecht werden meegenomen en beschadigd.
De klachtencommissie stelt geen schending vast van de procedure zoals opgelegd door bijlage 5 van Collectieve Brief nr. 141.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

De derde klacht is gericht tegen:

- de tuchtbeslissing van 30 maart 2024
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende. Verschillende personeelsleden namen de geur waar en bevestigden dat deze sterker werd bij het betreden van de cel of het naderen van het winket. Hoewel klager ontkent te hebben gezegd dat “ze toch niets meer zullen vinden”, wordt deze uitlating bevestigd door verschillende getuigen. Bovendien spoelde klager net op dat moment zijn wc door. De geurwaarneming werd volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd.
De directie kwalificeerde de feiten als ‘het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ . De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg zeven dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

- de tuchtbeslissing van 5 april 2024
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende. Vier personeelsleden namen de geur waar en bevestigden dat deze sterker werd bij het betreden van de cel. De geurwaarneming werd volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd.
De directie kwalificeerde de feiten als ‘het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ . De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg vijf dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

- de tuchtbeslissing van 18 april 2024
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directeur de feiten met betrekking tot de verboden substanties bewezen achtte en ze aan klager toerekende. Vijf personeelsleden namen de geur waar en bevestigden dat deze sterker werd bij het betreden van zijn cel. De geurwaarneming werd volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd.
De directie kwalificeerde de feiten als ‘het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ . De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg vijf dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

- de tuchtbeslissing van 25 april 2024
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende. Vijf personeelsleden namen de geur waar en bevestigden dat deze sterker werd bij het betreden van de cel. De geurwaarneming werd volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd.
De directie kwalificeerde de feiten als ‘het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ . De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg zeven dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

De vierde klacht is gericht tegen de schending van de rechten van verdediging tijdens de tuchtprocedure.
Klager schrijft in zijn klacht dat hij door zijn advocaat wou worden bijgestaan, “enkel niet als het verplicht was”, terwijl hij nog het recht had om met zijn advocaat te gaan, maar niet volgens de directie. De directie gaat hier in haar verweer niet op in .
In het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting staat het volgende:
“Dir: We zien elkaar in het kader van een tuchtprocedure. Uw advocaat was er gisteren niet en vandaag ook niet. Bent u akkoord dat de zitting doorgaat zonder uw advocaat?
G: Het zal wel moeten.”
Uit het mailverkeer blijkt dat de advocaat van klager op 26 maart werd uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 29 maart. De advocaat werd op 29 maart opnieuw uitgenodigd, ditmaal voor de zitting van 30 maart, omdat hij niet aanwezig was.
Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat zijn advocaat ook op 30 maart niet aanwezig was. Klager gaf (volgens hetgeen werd genoteerd in het verslag) zijn akkoord om de zitting te laten doorgaan zonder bijstand. Uit het verslag valt niet af te leiden dat de directie tegen hem zei dat hij niet meer kon/mocht worden bijgestaan door zijn advocaat.
De klacht is niet gegrond.

De vijfde klacht is gericht tegen de rapporten aan de directeur.
De Basiswet stelt dat wanneer een personeelslid een feit vaststelt waarvan hij/zij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt of wanneer een dergelijke inbreuk hem/haar ter kennis wordt gebracht, hij/zij een rapport aan de directeur opstelt.
Klager beklaagt zich over een rapport aan de directeur. Het opmaken van een rapport aan de directeur is een beslissing van een personeelslid en niet van de directeur.
De klachten zijn niet-ontvankelijk.

De zesde klacht is gericht tegen de uitvoering van de fouillering op het lichaam van 14 april 2024.
Hoewel de klachtencommissie onmogelijk kan verifiëren of de beambten effectief meermaals hebben geweigerd om hem een handdoek te geven, meent de klachtencommissie dat klager dit niet aannemelijk maakt.
De klachtencommissie stelt geen schending vast van de procedure zoals opgelegd door bijlage 3 van Collectieve Brief nr. 141.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

De zevende klacht is gericht tegen de afzetting van werk).
Aangezien klager op het moment van de tuchtbeslissing van 18 april 2024 (het enige aanknopingspunt in de tijd) niet aan het werk was, kan de klachtencommissie niet anders dan vaststellen dat er in dit geval geen sprake is van een beslissing door of namens de directeur genomen ten aanzien van de gedetineerde.
De klacht is niet-ontvankelijk.

De achtste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 30 april 2024.
De klacht moet worden ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Gelet op deze bepaling is een klacht die gericht is tegen een toekomstige beslissing onontvankelijk.
De klacht is niet-ontvankelijk.