KC04/24-0062
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Mesure provisoire
FOUILLE LICHAAM - VERZUIM - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - PERSONEEL - TEGEMOETKOMING
De klacht is drieledig:
- de eerste klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille)
- de tweede klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel
- de derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing
1. De naaktfouille
Klager heeft in zijn klachtenformulier aangeduid dat hij klacht indient tegen een naaktfouille. Op de zitting van de klachtencommissie van 8 april 2024 heeft hij bovendien benadrukt dat hij, ter gelegenheid van zijn plaatsing in de beveiligde cel, zich moest uitkleden, zich omdraaien en zijn voetzolen en mondholte moest tonen.
De directie schrijft in haar verweer dat er geen formulieren worden teruggevonden van de fouille. Op 15 maart 2024 contacteerde het secretariaat van de klachtencommissie het klachtenbureau met de vraag om na te kijken of klager in de dagen rond 15 februari (volgens klager de datum van de naaktfouille) aan een naaktfouille werd onderworpen. Het inrichtingshoofd antwoordde hierop dat er wettelijk gezien geen plicht is om een register te houden van naaktfouilles, en dat er geen spoor van terug te vinden is.
Een situatie waarbij een gedetineerde wordt gedwongen om zich om te kleden in het bijzijn van beambten, is aldus een naaktfouille in de zin van de Basiswet. Deze moet het onderwerp zijn van een geïndividualiseerde beslissing van de directeur (communicatie van DG EPI van 16/02/2021 aan de lokale directies “fouillering op het lichaam”).
Aangezien de directie dit niet ontkent, gaat de klachtencommissie ervan uit dat de naaktfouille heeft plaatsgevonden en stelt vast dat er geen geïndividualiseerde beslissing van de directeur is.
Er is aldus sprake van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 van de Basiswet. Hieruit vloeit de gegrondheid van de klacht voort.
Gelet op het feit dat de gevolgen van de onwettige naaktfouille in casu niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, bepaalt de klachtencommissie dat aan klager de volgende tegemoetkoming wordt toegekend: één extra individueel fitnessmoment,
2. De voorlopige maatregel
In geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, kan de directeur, in afwachting van de tuchtprocedure, de voorlopige maatregel van de plaatsing op een beveiligde cel opleggen. De beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel werd gesteund op de houding en het gedrag van klager ten aanzien van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op basis van deze vaststellingen terecht kon besluiten dat de interne veiligheid werd aangetast en dat de veiligheidsmaatregel, in afwachting van de verdere tuchtprocedure, gerechtvaardigd was.
Om deze redenen, is de tweede klacht niet gegrond.
3. De tuchtbeslissing
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 18 februari 2024 een tuchtsanctie van zeven dagen ATV voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van de eerste categorie). Gelet op de materiële vaststellingen uit het RAD, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van eerste categorie ).
De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Uit de motivering blijkt dat de directie van oordeel was dat klager de beambte doelbewust een duw gaf met zijn beide handen.
Klager kreeg zeven dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk, gelet op alle elementen in het dossier en het tuchtrechtelijk verleden van klager.
Om deze redenen is de derde klacht niet gegrond.
De klacht is drieledig:
- de eerste klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille)
- de tweede klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel
- de derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing
1. De naaktfouille
Klager heeft in zijn klachtenformulier aangeduid dat hij klacht indient tegen een naaktfouille. Op de zitting van de klachtencommissie van 8 april 2024 heeft hij bovendien benadrukt dat hij, ter gelegenheid van zijn plaatsing in de beveiligde cel, zich moest uitkleden, zich omdraaien en zijn voetzolen en mondholte moest tonen.
De directie schrijft in haar verweer dat er geen formulieren worden teruggevonden van de fouille. Op 15 maart 2024 contacteerde het secretariaat van de klachtencommissie het klachtenbureau met de vraag om na te kijken of klager in de dagen rond 15 februari (volgens klager de datum van de naaktfouille) aan een naaktfouille werd onderworpen. Het inrichtingshoofd antwoordde hierop dat er wettelijk gezien geen plicht is om een register te houden van naaktfouilles, en dat er geen spoor van terug te vinden is.
Een situatie waarbij een gedetineerde wordt gedwongen om zich om te kleden in het bijzijn van beambten, is aldus een naaktfouille in de zin van de Basiswet. Deze moet het onderwerp zijn van een geïndividualiseerde beslissing van de directeur (communicatie van DG EPI van 16/02/2021 aan de lokale directies “fouillering op het lichaam”).
Aangezien de directie dit niet ontkent, gaat de klachtencommissie ervan uit dat de naaktfouille heeft plaatsgevonden en stelt vast dat er geen geïndividualiseerde beslissing van de directeur is.
Er is aldus sprake van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 van de Basiswet. Hieruit vloeit de gegrondheid van de klacht voort.
Gelet op het feit dat de gevolgen van de onwettige naaktfouille in casu niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, bepaalt de klachtencommissie dat aan klager de volgende tegemoetkoming wordt toegekend: één extra individueel fitnessmoment,
2. De voorlopige maatregel
In geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid, kan de directeur, in afwachting van de tuchtprocedure, de voorlopige maatregel van de plaatsing op een beveiligde cel opleggen. De beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel werd gesteund op de houding en het gedrag van klager ten aanzien van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op basis van deze vaststellingen terecht kon besluiten dat de interne veiligheid werd aangetast en dat de veiligheidsmaatregel, in afwachting van de verdere tuchtprocedure, gerechtvaardigd was.
Om deze redenen, is de tweede klacht niet gegrond.
3. De tuchtbeslissing
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 18 februari 2024 een tuchtsanctie van zeven dagen ATV voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van de eerste categorie). Gelet op de materiële vaststellingen uit het RAD, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van eerste categorie ).
De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Uit de motivering blijkt dat de directie van oordeel was dat klager de beambte doelbewust een duw gaf met zijn beide handen.
Klager kreeg zeven dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk, gelet op alle elementen in het dossier en het tuchtrechtelijk verleden van klager.
Om deze redenen is de derde klacht niet gegrond.