KC04/24-0008
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - MOTIVERING - BEWIJS
De eerste klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille) van de directie van de gevangenis van Beveren.
Een onderzoek aan het lichaam heeft een subsidiair karakter en moet beschouwd worden als ultimum remedium. Wanneer er andere, minder ingrijpende methoden zijn om het doel te bereiken, zoals een onderzoek op de kledij, moet men deze eerst uit te putten. Wanneer een minder ingrijpende methode niet volstaat, moet men motiveren waarom dat zo is.
De beslissing tot fouillering op het lichaam bevat geen individuele aanwijzingen noch motieven die aangeven waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat.
Om deze redenen is de eerste klacht gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Wat betreft de eerste inbreuk (“de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”), ziet de klachtencommissie geen reden om te twijfelen aan de RAD, daar deze voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn en bovendien door verschillende personeelsleden werden opgesteld en ondertekend. Bovendien blijkt uit de verklaringen van klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting en uit de zitting van de klachtencommissie dat hij zijn deelname aan de feiten niet ontkent, en toegeeft dat hij heeft geslagen (weliswaar als gevolg van de uitlokking).
De klachtencommissie kan niet voorbij gaan aan het feit dat klager, hoewel hij inderdaad geconfronteerd werd met een uithaal van de medegedetineerde, op zijn beurt ook fysiek geweld heeft gebruikt ten aanzien van de medegedetineerde. Klager stelt dat de beambten niet zijn tussengekomen, maar uit de twee eerste RAD blijkt echter dat er door de beambten op de alarmknop was gedrukt op het moment dat het gevecht werd waargenomen, en dat klager en de medegedetineerde uit elkaar werden gehaald.
Wanneer er geen tegenaanwijzingen zijn, kan de directeur zich in principe baseren op rapporten van
penitentiair beambten om een tuchtfeit en de ernst van het tuchtfeit te beoordelen. In principe moet
de directeur in dat geval ook niet ingaan op verzoeken om bepaald onderzoek te doen zoals het horen van getuigen of het bekijken van camerabeelden. De directie kon zich in dit geval baseren op de twee rapporten, die werden ondertekend door verschillende beambten, om de tuchtinbreuk te beoordelen.
De klachtencommissie meent dat de directie de feiten met betrekking tot de eerste inbreuk als bewezen kon beschouwen.
Wat betreft de tweede inbreuk (“het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”), meent de klachtencommissie dat de vaststellingen die voortvloeien uit de fouillering op het lichaam, op onwettige wijze verkregen zijn en hier aldus geen rekening mee mag worden gehouden. De naaktfouille is namelijk op een onbehoorlijke manier gemotiveerd, wat een onwettigheid met zich meebrengt. Deze onwettigheid tast het daaruit voortvloeiende bewijs aan. Volgens de Raad van State impliceert de onregelmatigheid van een beslissing tot fouillering op het lichaam niet noodzakelijkerwijs de onwettigheid van de opgelegde tuchtmaatregel, mits deze gebaseerd is op andere elementen die op regelmatige wijze zijn verkregen. Dit is in casu, wat betreft de inbreuk van het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, niet het geval. De opgelegde tuchtmaatregel is dus onwettig wat betreft de tweede inbreuk.
Om deze redenen is de tweede klacht gegrond.
De eerste klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille) van de directie van de gevangenis van Beveren.
Een onderzoek aan het lichaam heeft een subsidiair karakter en moet beschouwd worden als ultimum remedium. Wanneer er andere, minder ingrijpende methoden zijn om het doel te bereiken, zoals een onderzoek op de kledij, moet men deze eerst uit te putten. Wanneer een minder ingrijpende methode niet volstaat, moet men motiveren waarom dat zo is.
De beslissing tot fouillering op het lichaam bevat geen individuele aanwijzingen noch motieven die aangeven waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat.
Om deze redenen is de eerste klacht gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Wat betreft de eerste inbreuk (“de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”), ziet de klachtencommissie geen reden om te twijfelen aan de RAD, daar deze voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn en bovendien door verschillende personeelsleden werden opgesteld en ondertekend. Bovendien blijkt uit de verklaringen van klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting en uit de zitting van de klachtencommissie dat hij zijn deelname aan de feiten niet ontkent, en toegeeft dat hij heeft geslagen (weliswaar als gevolg van de uitlokking).
De klachtencommissie kan niet voorbij gaan aan het feit dat klager, hoewel hij inderdaad geconfronteerd werd met een uithaal van de medegedetineerde, op zijn beurt ook fysiek geweld heeft gebruikt ten aanzien van de medegedetineerde. Klager stelt dat de beambten niet zijn tussengekomen, maar uit de twee eerste RAD blijkt echter dat er door de beambten op de alarmknop was gedrukt op het moment dat het gevecht werd waargenomen, en dat klager en de medegedetineerde uit elkaar werden gehaald.
Wanneer er geen tegenaanwijzingen zijn, kan de directeur zich in principe baseren op rapporten van
penitentiair beambten om een tuchtfeit en de ernst van het tuchtfeit te beoordelen. In principe moet
de directeur in dat geval ook niet ingaan op verzoeken om bepaald onderzoek te doen zoals het horen van getuigen of het bekijken van camerabeelden. De directie kon zich in dit geval baseren op de twee rapporten, die werden ondertekend door verschillende beambten, om de tuchtinbreuk te beoordelen.
De klachtencommissie meent dat de directie de feiten met betrekking tot de eerste inbreuk als bewezen kon beschouwen.
Wat betreft de tweede inbreuk (“het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”), meent de klachtencommissie dat de vaststellingen die voortvloeien uit de fouillering op het lichaam, op onwettige wijze verkregen zijn en hier aldus geen rekening mee mag worden gehouden. De naaktfouille is namelijk op een onbehoorlijke manier gemotiveerd, wat een onwettigheid met zich meebrengt. Deze onwettigheid tast het daaruit voortvloeiende bewijs aan. Volgens de Raad van State impliceert de onregelmatigheid van een beslissing tot fouillering op het lichaam niet noodzakelijkerwijs de onwettigheid van de opgelegde tuchtmaatregel, mits deze gebaseerd is op andere elementen die op regelmatige wijze zijn verkregen. Dit is in casu, wat betreft de inbreuk van het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, niet het geval. De opgelegde tuchtmaatregel is dus onwettig wat betreft de tweede inbreuk.
Om deze redenen is de tweede klacht gegrond.