Ga verder naar de inhoud

KC04/23-0286

Non fondée Irrecevable KC - Beveren Commission des plaintes Disciplinaire Pas de décision du directeur Mesure d'ordre
TUCHT - ORDEMAATREGEL - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - VERBODEN SUBSTANTIES

De eerste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing. Klager is tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een inbreuk van de eerste categorie.
De klachtencommissie is van oordeel dat het niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk is dat de directie klager schuldig achtte aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk, noch dat zij hem hiervoor sanctioneerde met dertig dagen ATV. In het eerste RAD werd omschreven hoe klager kleine ogen had, binnensmonds sprak en een instabiele houding aannam. Dit werd waargenomen door verschillende beambten. Hoewel klager enkel toegeeft slaappillen en bezo’s te nemen en ontkent dat hij onder invloed was van verboden middelen, meent de klachtencommissie dat de directie kon oordelen dat klager onder invloed was gezien de latere vondst in de veiligheidscel. Gelet op de geldende procedures bij het betreden van een veiligheidscel (het reinigen en controleren ervan), kan de klachtencommissie niet anders dan aannemen dat de gevonden substantie in de toiletpot in de veiligheidscel van klager was. Dat de directie, gelet op alle omstandigheden, de verklaringen van klager dan ook niet geloofde en hem schuldig achtte aan het bezit van verboden substanties, is begrijpelijk. De redenen waarom zij de verklaringen van klager niet geloofde, werden opgenomen in de motivering van de tuchtbeslissing.
Wat betreft de concrete sanctie van dertig dagen ATV, wijst de klachtencommissie erop dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de directie behoort om bepaalde tuchtfeiten zwaarder te bestraffen dan andere. Aangezien het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties een inbreuk van de eerste categorie betreft, is dertig dagen ATV wettig. De tuchtsanctie is streng en ligt volledig aan het uiterste van wat wettelijk mogelijk is , maar komt op de klachtencommissie niet onredelijk over gelet op de inbreuk van dezelfde aard die klager eerder in 2023 beging en de hoeveelheid aangetroffen verboden substantie.
Gelet op alle elementen, is de eerste klacht niet gegrond.

De tweede klacht is gericht tegen de ordemaatregel.
Bij gebreke aan een beslissing van de directeur, is de tweede klacht is niet-ontvankelijk.

De derde klacht gericht tegen de intrekking van de uitgaansvergunningen van klager.
Het al dan niet toekennen van UV’s en penitentiaire verloven betreft de externe rechtspositie van een gedetineerde. De bevoegdheid tot het toekennen van deze strafuitvoeringsmodaliteiten behoort tot de bevoegdheid van de minister van Justitie of diens gemachtigde of – in uitzonderlijke gevallen – tot de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank. De directeur neemt in deze materie geen beslissingen ten aanzien van een gedetineerde, noch is er sprake van een verzuim of weigering om een beslissing te nemen.
De derde klacht is niet-ontvankelijk.