Ga verder naar de inhoud

KC04/23-0264

Non fondée Fondée KC - Beveren Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERBODEN VOORWERPEN

De eerste klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam.
De directie moet in de beslissing tot fouillering op het lichaam ook motiveren waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Dit principe wordt bevestigd door de Beroepscommissie. De fouillebeslissing van 3 november 2023 bevat geen motieven die aangeven waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat. De directie wijst in haar schriftelijk verweer wel bijkomend naar het feit dat elke gedetineerde een fouille op de kledij krijgt na binnenkomst van de wandeling, en dat deze negatief was waardoor er werd overgegaan tot een fouille op het lichaam omdat penitentiaire ervaring leert dat de fouille aan de kledij niet toelaat om na te gaan of een gedetineerde verboden voorwerpen of substanties verstopt op zijn lichaam op een manier die niet traceerbaar is via de fouille aan de kledij. Tenslotte stelt zij dat gezien de concrete handelingen die werden vastgesteld, er voldoende aanwijzingen waren dat dit moest gecontroleerd worden. Deze a posteriori medegedeelde informatie doet geen afbreuk aan hetgeen hierboven gesteld is: er anders over oordelen zou de rechtsbescherming van de gedetineerde zoals voorzien in de Basiswet uithollen.
Om deze redenen is de eerste klacht gegrond.

De tweede klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel.
Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of er in deze zaak überhaupt sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde, blijkt uit de beschikbare stukken dat de voorlopige maatregel niet werd bevolen door een directeur, maar door een ander personeelslid.
Om deze reden is de voorlopige maatregel onwettig.
Ten overvloede merkt de klachtencommissie op dat de verkeerde voorlopige maatregel werd aangeduid op het document van de voorlopige maatregel: terwijl “het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte” werd aangekruist, kreeg klager de plaatsing op een beveiligde cel opgelegd. Dit wordt bevestigd in de motivering van de voorlopige maatregel, de klacht die betrekking heeft op de voorlopige maatregel, door de bewoordingen in het verweer, alsook door een e-mails van het klachtenbureau naar het secretariaat van de klachtencommissie.
Tenslotte merkt de klachtencommissie op dat in de beslissing werd aangeduid dat de betrokkene de beslissing tekende, terwijl de gedetineerde het document niet handtekende, maar wel twee beambten.
Om deze redenen is de tweede klacht gegrond.

De derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing.
Op basis van alle elementen uit het dossier, kan worden besloten dat de directie er van uit mocht gaan dat er sprake was van de toegerekende inbreuk (het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel). De tuchtbeslissing is gemotiveerd en de tuchtprocedure is correct gevolgd.
Aangezien er een verband was met de feiten (die plaatsvonden in de context van de gemeenschappelijk wandeling), kon de directie beslissen om de bijzondere tuchtsanctie van zeven dagen individuele wandeling op te leggen. Voor een inbreuk van de tweede categorie mag deze bijzondere tuchtsanctie maximaal vijftien dagen bedragen. Gelet op alle elementen in het dossier is de sanctie wettelijk, redelijk en billijk.
Om deze redenen is de derde klacht niet gegrond.