TUCHT - MEDIA
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Het veroorzaken van lawaaihinder vormt een inbreuk op artikel 106, §1 van de Basiswet dat bepaalt dat de gedetineerde tot plicht heeft er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort, alsook op de bepaling in het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Beveren (pagina 27) dat stelt dat de gedetineerde, voor zover hij over een radio […] beschikt, het recht op de radio- […] programma’s te volgen, op voorwaarde dat hij, […], de andere gedetineerden niet stoort. Dit laatste wordt in gelijkaardige bewoordingen herhaald in de informatiebrochure.
Wat betreft het wegnemen van de muziekinstallatie door de beambte, is de klachtencommissie van oordeel dat, gelet op de voorafgaande vraag van de beambte om de muziek stiller te zetten, de vaststellingen uit het rapport, de bepalingen uit het huishoudelijk reglement en de informatiebrochure, de beambte de muziekboxen wel degelijk kon afnemen.
Wat betreft de tuchtbeslissing, kon de directie redelijkerwijs steunen op de materiële vaststellingen zoals omschreven in het rapport. De klachtencommissie ziet geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van het rapport waarin duidelijk wordt dat klager lawaaihinder veroorzaakte door de boxen naar de wandeling te draaien met de volumeknop volledig opengedraaid, ondanks het feit dat hij eerder een waarschuwing kreeg van een beambte. Het rapport werd bovendien ondertekend door drie beambten. Klager ontkent tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en de zitting van de klachtencommissie dat hij de volumeknop opnieuw had opengedraaid na de bevelen van de beambten, maar erkent dat de boxen naar de wandeling toe gericht waren. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt klager eveneens dat en dat zijn buurman ook muziek wilde luisteren.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de materiële vaststellingen kwalificeerde als de opzettelijke aantasting van de orde (een inbreuk van de eerste categorie), het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel en het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort (beide inbreuken van de tweede categorie). Hetgeen in de tuchtbeslissing weerhouden wordt, vindt voldoende steun in de bewoordingen van het RADD.
De motivering van de tuchtbeslissing voldoet aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet.
Aangezien er een verband was met de feiten, kon de directie beslissen om de bijzondere tuchtsanctie van veertien dagen ontzeggen van bezig van de stereo-installatie op te leggen. Voor een inbreuk van eerste categorie mag deze bijzondere tuchtsanctie maximaal dertig dagen bedragen. De klachtencommissie is van oordeel dat de opgelegde sanctie wettelijk, billijk en redelijk is, gelet op alle elementen uit het dossier.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Het veroorzaken van lawaaihinder vormt een inbreuk op artikel 106, §1 van de Basiswet dat bepaalt dat de gedetineerde tot plicht heeft er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort, alsook op de bepaling in het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Beveren (pagina 27) dat stelt dat de gedetineerde, voor zover hij over een radio […] beschikt, het recht op de radio- […] programma’s te volgen, op voorwaarde dat hij, […], de andere gedetineerden niet stoort. Dit laatste wordt in gelijkaardige bewoordingen herhaald in de informatiebrochure.
Wat betreft het wegnemen van de muziekinstallatie door de beambte, is de klachtencommissie van oordeel dat, gelet op de voorafgaande vraag van de beambte om de muziek stiller te zetten, de vaststellingen uit het rapport, de bepalingen uit het huishoudelijk reglement en de informatiebrochure, de beambte de muziekboxen wel degelijk kon afnemen.
Wat betreft de tuchtbeslissing, kon de directie redelijkerwijs steunen op de materiële vaststellingen zoals omschreven in het rapport. De klachtencommissie ziet geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van het rapport waarin duidelijk wordt dat klager lawaaihinder veroorzaakte door de boxen naar de wandeling te draaien met de volumeknop volledig opengedraaid, ondanks het feit dat hij eerder een waarschuwing kreeg van een beambte. Het rapport werd bovendien ondertekend door drie beambten. Klager ontkent tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en de zitting van de klachtencommissie dat hij de volumeknop opnieuw had opengedraaid na de bevelen van de beambten, maar erkent dat de boxen naar de wandeling toe gericht waren. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt klager eveneens dat en dat zijn buurman ook muziek wilde luisteren.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de materiële vaststellingen kwalificeerde als de opzettelijke aantasting van de orde (een inbreuk van de eerste categorie), het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel en het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort (beide inbreuken van de tweede categorie). Hetgeen in de tuchtbeslissing weerhouden wordt, vindt voldoende steun in de bewoordingen van het RADD.
De motivering van de tuchtbeslissing voldoet aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet.
Aangezien er een verband was met de feiten, kon de directie beslissen om de bijzondere tuchtsanctie van veertien dagen ontzeggen van bezig van de stereo-installatie op te leggen. Voor een inbreuk van eerste categorie mag deze bijzondere tuchtsanctie maximaal dertig dagen bedragen. De klachtencommissie is van oordeel dat de opgelegde sanctie wettelijk, billijk en redelijk is, gelet op alle elementen uit het dossier.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.