KC04/23-0242
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Disciplinaire
Fouille à corps
TUCHT - FOUILLE LICHAAM - ARBEID - VERBODEN VOORWERPEN - TEGEMOETKOMING
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Klager is tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor de wederrechtelijke ontvreemding van goederen (een inbreuk van de eerste categorie) en het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden (een inbreuk van de tweede categorie).
Wat betreft de eerste tuchtinbreuk, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie het in haar beslissing niet aannemelijk maakt dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke ontvreemding van goederen, wat zij gelijkstelt aan diefstal i.e. het bedrieglijk wegnemen van een zaak die hem niet toebehoort. Dat klager effectief in het bezit was van deze voorwerpen wordt door hem erkend tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, doch blijkt ook hieruit niet dat er sprake was van het bedrieglijk wegnemen van de voorwerpen. De klachtencommissie merkt op dat de directie op basis van het RADD en zijn verklaringen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting enkel kon vaststellen dat klager in het bezit was van de pen en twee klemmen, maar op geen enkele manier kon afleiden dat er in hoofde van klager sprake was van een bedrieglijk opzet.
Wat betreft de tweede tuchtinbreuk, blijkt uit het RADD dat klager zich in een lokaal heeft begeven waar hij geen toestemming voor had. Op het moment van de tuchtrechtelijke hoorzitting sprak klager spontaan over dit feit en ontkende hij niet dat hij zich in het bewuste lokaal bevond. Echter vulde hij aan dat hij niet op de hoogte was het lokaal niet te mogen betreden, en dat dit vroeger wel het geval was. De directie ging niet in op de verklaringen van klager en vergaarde geen verdere informatie omtrent de omstandigheden van deze feiten. Uit het schriftelijk verweer van de directie blijkt bovendien niet dat zij de beweringen van klager omtrent de instructies van de leraar om de stocktelling te verzorgen in het magazijn weerlegt, heeft getoetst of onderzocht.
De klachtencommissie is van oordeel dat het vaststaat dat er naar aanleiding van het RADD bijkomende onderzoekshandelingen nodig waren. Door dit na te laten, beschikte de directie niet over gegevens die van essentieel belang konden zijn voor de beoordeling van de feiten en het vaststellen van eventuele inbreuken, en heeft ze nagelaten helderheid te scheppen over de feiten. Zodoende heeft de directie haar zorgvuldigheidsplicht geschonden.
In elk geval heeft de directie geen bewijs aangebracht om te voldoen aan de vereiste bewijslast.
Om deze redenen is de eerste klacht gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille) van de directie van de gevangenis van Beveren.
De directie moet in de beslissing tot fouillering op het lichaam ook motiveren waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Dit principe wordt bevestigd door de Beroepscommissie. De beslissing tot fouillering op het lichaam van 14 september 2023 bevat geen motieven die aangeven waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat.
Ten overvloede merkt de klachtencommissie op dat de wettelijke bepalingen in verband met de fouillering op het lichaam niet werden nageleefd. Zoals hoger opgemerkt, moet de directeur zijn schriftelijke beslissing uiterlijk 24 uur nadat de naaktfouille heeft plaatsgevonden bezorgen aan de gedetineerde. In casu heeft de naaktfouille plaatsgevonden op 14 september 2023 om 11u50, terwijl de beslissing aan klager werd betekend op 15 september 2023 om 17u20. Hoewel de overschrijding van deze termijn an sich niet de nietigheid van de beslissing met zich meebrengt, meent de klachtencommissie dat dit wel een onzorgvuldigheid uitmaakt. De klachtencommissie maant de directie dan ook aan om hieromtrent in de toekomst de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen.
Om deze redenen is de klacht gegrond.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Klager is tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor de wederrechtelijke ontvreemding van goederen (een inbreuk van de eerste categorie) en het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden (een inbreuk van de tweede categorie).
Wat betreft de eerste tuchtinbreuk, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie het in haar beslissing niet aannemelijk maakt dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke ontvreemding van goederen, wat zij gelijkstelt aan diefstal i.e. het bedrieglijk wegnemen van een zaak die hem niet toebehoort. Dat klager effectief in het bezit was van deze voorwerpen wordt door hem erkend tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, doch blijkt ook hieruit niet dat er sprake was van het bedrieglijk wegnemen van de voorwerpen. De klachtencommissie merkt op dat de directie op basis van het RADD en zijn verklaringen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting enkel kon vaststellen dat klager in het bezit was van de pen en twee klemmen, maar op geen enkele manier kon afleiden dat er in hoofde van klager sprake was van een bedrieglijk opzet.
Wat betreft de tweede tuchtinbreuk, blijkt uit het RADD dat klager zich in een lokaal heeft begeven waar hij geen toestemming voor had. Op het moment van de tuchtrechtelijke hoorzitting sprak klager spontaan over dit feit en ontkende hij niet dat hij zich in het bewuste lokaal bevond. Echter vulde hij aan dat hij niet op de hoogte was het lokaal niet te mogen betreden, en dat dit vroeger wel het geval was. De directie ging niet in op de verklaringen van klager en vergaarde geen verdere informatie omtrent de omstandigheden van deze feiten. Uit het schriftelijk verweer van de directie blijkt bovendien niet dat zij de beweringen van klager omtrent de instructies van de leraar om de stocktelling te verzorgen in het magazijn weerlegt, heeft getoetst of onderzocht.
De klachtencommissie is van oordeel dat het vaststaat dat er naar aanleiding van het RADD bijkomende onderzoekshandelingen nodig waren. Door dit na te laten, beschikte de directie niet over gegevens die van essentieel belang konden zijn voor de beoordeling van de feiten en het vaststellen van eventuele inbreuken, en heeft ze nagelaten helderheid te scheppen over de feiten. Zodoende heeft de directie haar zorgvuldigheidsplicht geschonden.
In elk geval heeft de directie geen bewijs aangebracht om te voldoen aan de vereiste bewijslast.
Om deze redenen is de eerste klacht gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam (naaktfouille) van de directie van de gevangenis van Beveren.
De directie moet in de beslissing tot fouillering op het lichaam ook motiveren waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Dit principe wordt bevestigd door de Beroepscommissie. De beslissing tot fouillering op het lichaam van 14 september 2023 bevat geen motieven die aangeven waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat.
Ten overvloede merkt de klachtencommissie op dat de wettelijke bepalingen in verband met de fouillering op het lichaam niet werden nageleefd. Zoals hoger opgemerkt, moet de directeur zijn schriftelijke beslissing uiterlijk 24 uur nadat de naaktfouille heeft plaatsgevonden bezorgen aan de gedetineerde. In casu heeft de naaktfouille plaatsgevonden op 14 september 2023 om 11u50, terwijl de beslissing aan klager werd betekend op 15 september 2023 om 17u20. Hoewel de overschrijding van deze termijn an sich niet de nietigheid van de beslissing met zich meebrengt, meent de klachtencommissie dat dit wel een onzorgvuldigheid uitmaakt. De klachtencommissie maant de directie dan ook aan om hieromtrent in de toekomst de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen.
Om deze redenen is de klacht gegrond.