Ga verder naar de inhoud

KC04/23-0201

Non fondée KC - Beveren Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES

Klager is tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.
De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gesteund op het RADd, gebaseerd op de vaststellingen van dienstdoende PBA.

De gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. Bij de beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk oefent de directeur een discretionaire bevoegdheid uit. Aangezien de tuchtregeling in de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, kan de directeur voor het bewijs steunen op materiële vaststellingen, bekentenissen, getuigenissen of vermoedens, zolang hij bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. De tuchtbeslissing moet bovendien met redenen zijn omkleed.
Uit de bewoordingen van het RADD bleek dat er op het moment van het opstellen ervan twijfel bestond over de exacte aard van de geur.
Het is inderdaad zo dat er slechts absolute zekerheid kan bestaan omtrent de aard van de “verdachte substantie” na een expertise van een staal. Dit belet niet dat de gevangenisdirecteur de vaststellingen van zijn medewerkers, voldoende gegevens kon vinden om in redelijkheid aan te nemen dat het inderdaad om een verboden product ging. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het behoud van de orde in de gevangenis een prompt en doortastend optreden vereist, wat noodzakelijk impliceert dat niet gewacht kan worden op absolute bewijzen, maar dat afgegaan moet worden op met elkaar overeenstemmende gegevens die op dat ogenblik voorhanden zijn. (RvS 7 december 2009, nr. 198.611).
De directie voert in de motivering van de tuchtbeslissing echter aan dat de geur is waargenomen door drie beambten en het vermoeden van bezit daarenboven werd ondersteund door bijkomende belastende elementen (i.e. een restant van de substantie).
De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur klager op basis van het rapport en de vaststellingen door de beambten dan ook schuldig kon achten voor de tuchtinbreuk bezit van verboden substanties.
Een algemene sanctie van afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (‘ATV’) kan worden opgelegd ongeacht de aard van de tuchtinbreuk. De sanctie kan opgelegd worden voor een maximumduur van dertig dagen voor een inbreuk van de eerste categorie. In dit geval legt de directie zeven dagen ATV op. De sanctie is wettelijk. Gelet op het tuchtrechtelijk verleden van klager, is de sanctie van zeven dagen ATV bovendien niet onredelijk.

Klager stelt in zijn klacht tenslotte dat een medegedetineerde drie dagen voorlopige maatregel krijgt “voor hetzelfde”, terwijl hij zeven dagen ATV opgelegd krijgt.
De directeur houdt bij de straftoemeting rekening met de individuele elementen uit het dossier van de persoon in detentie. Er valt dan ook niet te vergelijken met andere personen in detentie die een mildere sanctie kregen voor gelijkaardige feiten.

Om deze redenen is de klacht tegen de tuchtbeslissing niet gegrond.